Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste middel over bewijsvoering werd verworpen zonder nadere motivering. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat werden ingezonden.
De Hoge Raad achtte het tweede middel gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met vier maanden. De rest van het beroep werd verworpen. De strafvermindering houdt verband met de schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en de uitspraak vond plaats tijdens een openbare terechtzitting op 20 december 2016. Hiermee werd de strafoplegging aangepast zonder het gehele arrest te vernietigen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot drie maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.