ECLI:NL:PHR:2016:1290

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
15/01392
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 6 EVRMArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen woninginbraak en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een woninginbraak gepleegd op 17 maart 2012 te Delft, waarbij verdachte samen met drie anderen sieraden en geld heeft weggenomen uit een flatwoning. De verdachte werd aangehouden op het dak van het flatgebouw na vluchtpoging.

Het hof oordeelde dat sprake was van medeplegen, omdat verdachte en medeverdachten gezamenlijk en bewust samenwerkten bij het plegen van de inbraak, ondanks dat niet vaststond wie welke feitelijke handelingen verrichtte. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar het overzichtsarrest over medeplegen dat een nauwe en bewuste samenwerking vereist.

De verdediging stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte nauwe samenwerking had met de medeverdachten, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie met ruim twee maanden was overschreden, waardoor de strafvermindering passend is.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf in een passende mate, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen woninginbraak en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 15/01392
Zitting: 29 november 2016
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 24 februari 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat tussen de verdachte en de medeverdachten sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking als vereist voor medeplegen.
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezen verklaard dat:
"hij op 17 maart 2012 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan [a-straat] ) heeft weggenomen sieraden en een geldbedrag van EUR 350, toebehorende aan [betrokkene 1] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door middel van inklimming door via een bovenlicht voornoemde woning in te klimmen."
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Proces-verbaal relaas d.d. 19 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1518 2012057978-38. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant (blz. 21-31):
Op 17 maart 2012 te 12.27 uur kreeg een surveillance-eenheid van de politie de opdracht te gaan naar de [a-straat] 142 alwaar op dat moment werd ingebroken. Hierop zijn surveillance-eenheden naar die locatie gegaan. Ter plaatse zagen de verbalisanten dat vier mannen over de galerij renden. Vervolgens splitsten de vier mannen zich. Twee mannen vluchtten naar het dak en één man trachtte via de hoofdingang de flat te verlaten.
Op het dak van de flat werden de twee personen, te weten [verdachte] en [betrokkene 2] aangehouden. De persoon, te weten [betrokkene 3] , die via de hoofdingang de flat trachtte te ontvluchten, werd aangehouden.
2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1518 2012057978-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van aangeefster [betrokkene 1] (blz. 71-74):
Ik huur een flatwoning op de zesde etage aan de [a-straat] 142 te Delft.
Op 17 maart 2012 omstreeks 12.00 uur stonden er personen voor mijn voordeur. Ik zag dat één persoon via het bovenlicht aan de galerijzijde naar binnen klom. Ik ben naar het balkon gegaan. Ik hoorde dat er dingen op de grond werden gegooid. Vervolgens hoorde ik politieauto's. Ik hoorde dat het stil werd in de woning. Mijn schoonzus heeft de politie gebeld. Ik heb ongeveer 15 minuten op het balkon gelegen. Ik zag dat in mijn woning alle kasten waren leeg gehaald en de spullen op de grond lagen.
De waarde van de weggenomen sieraden is ongeveer € 5.500,-. Tevens is € 350,- aan briefgeld weggenomen.
Ik zag dat de daders dikke donkerkleurige jassen droegen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-37. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] (blz. 81-82):
Op 17 maart 2012 omstreeks 12.20 uur bevond ik me in mijn woning aan de [a-straat] 138 te Delft. Ik stond in de keuken en heb vanuit de keuken direct zicht op de galerij. Ik keek naar buiten en zag 4 à 5 jongemannen langslopen. Na een paar minuten zag ik dezelfde groep jongens voor het huis van perceel 142 staan. Ik zag dat één persoon bezig was met de voordeur van perceel 142.
4. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1518 2012057978-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5] (blz. 77- 78) :
Op 17 maart 2012 omstreeks 12.00 uur zag ik vanuit mijn voortuin van mijn woning aan de [b-straat 1] te Delft dat een Volkswagen Golf parkeerde aan de voorzijde van mijn woning. Ik zag dat er vier personen in dit voertuig zaten. Ik zag dat twee personen uitstapten en wegliepen in de richting van de [a-straat] . Omstreeks 13.00 uur dezelfde dag ben ik weggegaan en zag ik dat er niemand meer in het voertuig zat. Het voertuig is voorzien van kenteken [AA-00-BB] .
5. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant [verbalisant 1] (blz. 43-44) :
Op 17 maart 2012 zag ik op de vijfde etage op de galerij van de [a-straat] te Delft vier jongens heen en weer, vanaf mijn positie van rechts van de galerij, naar links rennen. Ik zag dat deze jongens licht getint waren, donkere jassen droegen en rond de 21 jaar oud waren. Vervolgens hoorde ik via de portofoon dat twee verdachten naar het lager gedeelte van de flat waren gerend, dat ze via het portiek naar de daarboven gelegen zesde etage waren gerend en daar het dak waren opgeklommen.
Vervolgens heb ik twee van de vier verdachten die ik eerder op de 5e etage van de hoge zijde had zien rennen, op het dak aangehouden. De aangehouden verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989, is met een hoogwerker van het dak gehaald.
6. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant [verbalisant 1] (blz 51-52):
Op 17 maart 2012 heb ik twee van de vier verdachten die ik eerder op de galerij van de 5e etage van de hoge zijde van de [a-straat] had zien rennen, op het dak aangehouden. Ik hield als verdachte aan [betrokkene 2] , geboren 30 juli 1989. De aangehouden verdachte [betrokkene 2] is met een hoogwerker van het dak gehaald.
7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2012 van de verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant (blz. 86-87):
De [a-straat] is een L-vormige flat. De lange zijde van de flat is 7 verdiepingen hoog. Aan de rechterzijde van de lange zijde is een trappenhuis gelegen (trappenhuis 3). Aan de linkerzijde van de lange zijde is een trappenhuis gelegen (trappenhuis 2). De korte zijde van de flat zit vast aan de linkerzijde van de lange zijde en staan met elkaar in verbinding door trappenhuis 2. Aan de linkerzijde van de korte zijde is een trappenhuis (trappenhuis 1). Ik had rechtstreeks zicht op trappenhuis 3.
Op zaterdag 17 maart 2012 omstreeks 12.30 uur was ik op de [a-straat] te Delft. Ik zag direct dat er drie getinte mannen van rond de 20 jaar, allen met donkere kleding aan, over de galerij van de lange zijde renden op de 6e verdieping, langs de openstaande deur. Later bleek dat de openstaande deur perceel 142 was. Ik zag dat er recht onder de 3 mannen, op de 5e verdieping met dezelfde snelheid en in dezelfde richting, 1 getinte man, van ongeveer 20 jaar met donkere kleding, rende. Ik zag dat de vier mannen trappenhuis 3 inliepen. Ik zag dat de vier mannen maar een paar seconden in trappenhuis 3 bleven. Vervolgens zag ik dat de vier mannen op de galerij over de 5e verdieping renden in de richting van trappenhuis 2. Ik zag dat de vier mannen trappenhuis 2 inliepen. Vervolgens zag ik 2 getinte mannen met donkere kleding rennen over de korte zijde op de 6e verdieping vanaf trappenhuis 2 in de richting van trappenhuis 1.
8. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 17 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant (blz 34-35):
Op 17 maart 2012 heb ik in de centrale hal van de [a-straat] als verdachte aangehouden [betrokkene 3] geboren [geboortedatum] -1989.
9. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart. 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012057978-17. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant (blz. 86-87):
Op 17 maart 2012 werd voor mij geleid een man die opgaf te zijn genaamd:
[betrokkene 3] , geboren [geboortedatum] 1989. De verdachte haalde een autosleutel, vermoedelijk van een Volkswagen, uit zijn zakken."
6. Het hof heeft in respons op een door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer in hoger beroep het volgende overwogen:
"Door de raadsman is, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rolverdeling tussen de aangehouden verdachten niet duidelijk is en ook niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachten.
Het hof overweegt het volgende.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte en de medeverdachten zich op de 6e etage van het flatgebouw hebben bevonden voor de woning van aangeefster terwijl een of meer van hen bezig is geweest met de deur of het inklimmen van de woning via het bovenlicht. Daarna is een of meer van hen de woning binnen geweest, zijn de kasten doorzocht, zijn sieraden en geld uit de woning weggenomen en zijn de verdachten allemaal weggevlucht toen de politie er aan kwam. De verdachte is vervolgens op het dak van het flatgebouw aangehouden.
Het hof is op grond van het vorenstaande, waaruit blijkt dat de verdachte met zijn medeverdachten naar de woning is toegegaan en op zijn minst met hen aanwezig is geweest toen met het inbreken in de woning een aanvang is gemaakt en dat hij kort daarna samen met de medeverdachten en kennelijk met medeneming van de buit is weggerend, van oordeel dat de verdachte zodanig intensief heeft samengewerkt en aanwezig is geweest op belangrijke momenten, dat tussen de verdachte en de medeverdachten sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking als vereist voor medeplegen.
Het hof verwerpt dan ook het verweer."
7. Het in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feit is toegesneden op de strafbepaling van art. 311, eerste lid aanhef en onder 4⁰, Sr. Nu in deze bepaling is opgenomen het delictsbestanddeel "door twee of meer verenigde personen" zijn de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ2015/390 m.nt. Mevis (verder: het overzichtsarrest) over het medeplegen van overeenkomstige toepassing. [1]
8. Uit het overzichtsarrest volgt onder meer dat voor de kwalificatie medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen vereist is. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De overwegingen van de Hoge Raad in het overzichtsarrest zijn in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en dit meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. [2]
9. De Hullu merkt in zijn handboek op dat een gezamenlijke uitvoering bij uitstek kan wijzen op nauwe samenwerking en op de vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht. [3] Voor een gezamenlijke uitvoering hoeft niet elk van de medeplegers een feitelijke handeling te verrichten ter vervulling van de bewezenverklaring. In het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat bij een nauwe en bewuste samenwerking het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. [4] In dat kader is de inwisselbaarheid van rollen van belang; hierdoor kan aannemelijk zijn dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. [5] Het bekende Wormerveerse brandstichting-arrest heeft laten zien dat een samenwerking zo volledig en nauw kan zijn dat het min of meer toevallig is wie daadwerkelijk de uitvoeringshandeling verricht; een eigen door de medepleger verrichte uitvoeringshandeling is niet verplicht. [6] Of zoals Mevis het heeft verwoord: "Ook zonder 'samen doen' (samen de kernhandeling van het delict uitvoeren) kan sprake zijn van 'gezamenlijke uitvoering'". [7]
10. Uit de bewijsconstructie van het hof kan het volgende worden afgeleid. De verdachte is tezamen met drie medeverdachten in een personenauto in de buurt van de plaats delict aangekomen. Kennelijk zijn zij allemaal uitgestapt en hebben zij zich begeven naar de woning van de aangeefster aan de [a-straat] 142 te Delft op de zesde etage van een flatwoning. Allen waren in het donker gekleed en hebben voor haar voordeur gestaan. Ten minste één van hen is via het bovenlicht aan de galerijzijde de woning ingeklommen. De woning is vervolgens door één of meer van hen doorzocht en dit is gepaard gegaan met enig kabaal. Naar aanleiding van een melding zijn surveillance-eenheden naar de woning van de aangeefster gekomen. Op het moment dat deze aankwamen bij de woning, werd het stil in de woning. Verbalisanten zien vervolgens vier mannen over de galerij rennen, die zich vervolgens splitsen. Twee mannen, onder wie de verdachte, worden op het dak aangehouden.
11. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat zich hier een gezamenlijke uitvoering van de woninginbraak heeft voorgedaan. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk nu uit voornoemde omstandigheden volgt dat de verdachte zich tezamen met de medeverdachten heeft begeven naar de woning van de aangeefster, waarbij klaarblijkelijk gezamenlijk uitvoering is gegeven aan een plan om een woninginbraak te plegen, en dat de verdachte en de medeverdachten daarna gezamenlijk en gelijktijdig zijn weggerend op het moment dat de politie arriveerde, kennelijk met medeneming van de buit. Dat niet vaststaat wie van de medeplegers welke feitelijke (uitvoerings)handelingen heeft verricht doet niet af aan het oordeel van het hof dat er een gezamenlijke uitvoering is geweest. Daarbij is voorts van belang dat de verdachte, evenals zijn medeverdachten, in het geheel geen verklaring heeft willen afleggen over zijn betrokkenheid bij de woninginbraak. Niet aannemelijk is dus gemaakt dat de voor medeplegen vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage bij de verdachte van onvoldoende gewicht zou zijn. Ik wijs in dit verband nog op de volgende overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413:
“4.2.3.
In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.”
12. Op grond van het voorgaande meen ik dat tussen de verdachte en de medeverdachten sprake is geweest van een zodanig gezamenlijke uitvoering dat het oordeel van het hof ter zake van de nauwe en bewuste samenwerking niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
13. Het middel faalt.
14. Het
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden aan de Hoge Raad.
15. Namens de verdachte is op 9 maart 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn blijkens een op die stukken geplaatste stempel bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 18 januari 2016. Dat brengt mee dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden is overschreden, en wel met ruim twee maanden. Voortvarende behandeling, dat wil zeggen afdoening van de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, behoort niet meer tot de mogelijkheden, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van Pro het EVRM overschreden is.
16. Het tweede middel slaagt.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
2.Vgl. ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883,
3.J. de Hullu,
4.Vgl. ook HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905,
5.De Hullu, a.w., p.454.
6.HR 29 oktober 1934,
7.Noot Mevis onder HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10,