Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2015. De verdachte werd betrokken bij een strafzaak over oplichting gepleegd door een rechtspersoon waarbij hij feitelijk leiding gaf aan de verboden gedraging.
Namens de verdachte diende advocaat Th.J. Kelder een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, met de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan. Het beroep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof werd bekrachtigd. Hiermee bleef de bewezenverklaring van oplichting door de rechtspersoon met feitelijke leiding in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.