ECLI:NL:HR:2016:3409

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
6 maart 2017
Zaaknummer
15/04811
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 359 lid 3 SvArt. 359 lid 8 SvArt. 415 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang en motiveringsgebrek hof

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Het hof had in het bestreden arrest overwogen dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen was, onder meer op basis van getuigenverklaringen die de verdachte bij naam noemden. Tegelijkertijd was er een motiveringsgebrek, omdat het hof een alibi mogelijk over het hoofd had gezien. Dit motiveringsgebrek leidt volgens art. 359 lid 8 Sv Pro. tot nietigheid van het arrest, wat aanleiding geeft tot vernietiging en herziening.

De verdachte heeft een rechtens te respecteren belang bij vernietiging en een nieuwe feitelijke behandeling, omdat het hof bij herbeoordeling mogelijk tot vrijspraak kan komen. Desondanks verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk, mede gelet op art. 80a RO en het advies van de Procureur-Generaal.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en raadsheren Buruma en Van den Brink, en uitgesproken op 20 december 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang en klachten die niet tot cassatie leiden.

Uitspraak

20 december 2016
Strafkamer
nr. S 15/04811
AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 oktober 2015, nummer 23/000285-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2016.
MIDDEL
Het recht (art. 6 EVRM Pro) is geschonden en/of op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen (art. 359 lid 3 en Pro lid 8 Sv. jo. art. 415 Sv Pro.) zijn verzuimd, omdat de motivering van de bewezenverklaring ontoereikend, althans onbegrijpelijk is;
TOELICHTING
1. Naar aanleiding van een gevoerd bewijsverweer heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen en beslist:
Het hof is van oordeel dat het de verdachte tenlastegelegde feit wettig en . overtuigend bewezen kan worden. Blijkens het proces-verbaal zijn er drie getuigen die de mishandeling hebben gezien. Twee getuigen herkennen de verdachte onafhankelijk van elkaar en duiden hem met zijn naam aan. Dat de getuigen geen gedetailleerd signalement hebben gegeven van de verdachte doet niet af aan de overtuiging van het hof reeds omdat zij ieder afzonderlijk de verdachte bij naam hebben genoemd. De door de raadsman als ‘ontlastende getuigen ’ aangemerkte personen hebben daarentegen geen van allen uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich op het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit zich heeft afgespeeld op een andere locatie bevond dan de pleegplaats. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Echter, één van de door het hof bedoelde getuigen, te weten de getuige [getuige], heeft - als getuige gehoord tijdens de terechtzitting bij de politierechter - wel degelijk uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich op het tijdstip van het delict (ca. 2.45 uur) op een andere locatie bevond dan de pleegplaats:
In de avond waren wij bij zijn moeders huis. Zijn moeder en zijn zus waren beiden thuis. Wij gingen rond een uur of één samen naar bed toe. Ik slaap bij verdachte in bed. Ik weet niet meer of wij de laatste waren van het gezelschap die naar bed toe ging. Wij zijn niet uit geweest of iets dergelijks.
2. Indien het hof dit ‘alibi’ niet over het hoofd zou hebben gezien dan zou het - mede in aanmerking genomen de overige ontlastende verklaringen en omstandigheden en hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht - de verdachte waarschijnlijk hebben vrijgesproken. Dit klemt temeer nu niet kan worden gezegd dat het bestreden arrest voldoende gegevens bevat waarin een toereikende motivering besloten ligt, of dat dit motiveringsgebrek geen afbreuk doet aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van het arrest of dat dit motiveringsverzuim van ondergeschikte betekenis is (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU0130, NJ 2006, 393). Mitsdien heeft dit motiveringsgebrek ingevolge art. 359 lid 8 Sv Pro. nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg;
3. De verdachte heeft een rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de strafzaak (vgl. HR 11 september 2012, LJN BX7004, NJ 2013, 243, r.o. 2.6.2.), omdat het hof waarnaar is verwezen of teruggewezen alsdan kan beslissen dat de verdachte alsnog moet worden vrijgesproken;