ECLI:NL:HR:2016:351

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
13/06404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 7 Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 6 lid 1 EVRMArt. 19 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
15 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bestuurder voor niet-betaalde loonheffingen en omzetbelasting ondanks te late melding betalingsonmacht

Belanghebbende was middellijk bestuurder van [A] B.V., die loonheffingen en omzetbelasting niet heeft afgedragen over diverse tijdvakken. Na faillissement van [A] werd belanghebbende aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 voor de openstaande belastingschulden en verzuimboeten.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aansprakelijkstelling, onder meer met het argument dat de melding van betalingsonmacht te laat was gedaan en dat de Belastingdienst hem het vertrouwen had gewekt dat een latere melding volstond. Het Hof oordeelde dat de betalingsonmacht eind oktober 2009 was ontstaan en onverwijld, uiterlijk binnen 14 dagen, gemeld had moeten worden. De brief van 20 december 2009 was te laat. Ook was de meldingsplicht niet vervallen doordat de Belastingdienst al op de hoogte zou zijn geweest.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de melding onverwijld had moeten plaatsvinden en dat de regeling van artikel 36 lid 4 IW Pro niet in strijd is met het EVRM of het communautaire evenredigheidsbeginsel. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard. De procedure kende een lichte termijnoverschrijding, maar dit leidt niet tot andere gevolgen. Proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van belanghebbende voor niet-betaalde loonheffingen, omzetbelasting en verzuimboeten.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 13/06404
4 maart 2016
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 28 november 2013, nr. 12/00174, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/3911) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de door [A] B.V. te [Q] verschuldigde loonheffingen over de tijdvakken augustus 2008 tot en met maart 2009 en omzetbelasting over de tijdvakken juli en augustus 2010, alsmede aan die vennootschap opgelegde verzuimboeten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 maart 2015 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Van 11 augustus 2008 tot 17 september 2010 was belanghebbende middellijk bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A]). Per 17 september 2010 is [A] verkocht. Op 22 februari 2011 is [A] in staat van faillissement verklaard.
2.1.2.
[A] heeft in september of oktober 2009, nadat haar een loonheffingennummer is toegekend en door haar de aangiftebiljetten over de daarvoor gelegen tijdvakken zijn ontvangen, de maandaangiften loonheffingen over de tijdvakken mei 2007 tot en met maart 2009 in één keer ingediend. De verschuldigde loonheffingen zijn door [A] niet afgedragen. Vervolgens zijn aan [A] naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd conform de door [A] ingediende aangiften.
2.1.3.
[A] heeft de over de tijdvakken juli en augustus 2010 door haar verschuldigde omzetbelasting niet op aangifte voldaan. Dientengevolge zijn over deze tijdvakken aan [A] naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.
2.1.4.
Bij beschikking van 7 maart 2011 heeft de Ontvanger belanghebbende op de voet van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor door [A] onder meer niet betaalde loonheffingen, boeten, kosten en belopen invorderingsrente over de tijdvakken mei 2007 tot en met maart 2009, en niet betaalde omzetbelasting, boeten, kosten en belopen invorderingsrente over de tijdvakken juli en augustus 2010.
2.1.5.
Bij brief van 7 april 2011, bij de Ontvanger ingekomen op 13 april 2011, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1.4 genoemde beschikking. Bij dit bezwaarschrift is als bijlage een brief van belanghebbende gevoegd met dagtekening 20 december 2009, waarin betalingsonmacht wordt gemeld “van de nu openstaande bedragen, alsmede eventueel toekomstige aanslagen”.
2.2.
Voor het Hof was – voor zover in cassatie nog van belang – in geschil (i) op welk tijdstip bij [A] betalingsonmacht is ontstaan, (ii) of de meldingstermijn van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: UBIW) van toepassing is, (iii) of de betalingsonmacht tijdig is gemeld, (iv) of de meldingsplicht is vervallen doordat de Ontvanger op enig tijdstip vóór de datum van de aansprakelijkstelling op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A], (v) of de wettelijke regeling van artikel 36, lid 4, IW in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) en/of het communautaire evenredigheidsbeginsel, en (vi) of het belopen van de verzuimboeten waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld aan hem te wijten is in de zin van artikel 32, lid 2, IW.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de betalingsonmacht in elk geval eind oktober 2009 is ontstaan. Verder heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake is van een situatie waarin de nageheven belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen, zodat de regeling van artikel 7, lid 2, IW niet van toepassing is en melding van de betalingsonmacht niet meer rechtsgeldig kon plaatsvinden nadat de naheffingsaanslagen waren opgelegd.
2.3.2.
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheden dat pas in september of oktober 2009 een loonheffingennummer is toegekend en dat de aangiftebiljetten over de daarvoor gelegen tijdvakken kort nadien door [A] zijn ontvangen, niet meebrengen dat artikel 7, lid 2, IW van toepassing is. Die omstandigheden brengen volgens het Hof hoogstens mee dat de verplichting tot het doen van tijdige aangifte wordt weggenomen, maar niet tevens de verplichting tot tijdige afdracht van de verschuldigde loonheffingen.
2.3.3.
Aangezien in elk geval eind oktober 2009 een situatie van betalingsonmacht is ontstaan bij [A] die onverwijld (uiterlijk 14 november 2009) op de voet van artikel 36, lid 2, IW had moeten worden gemeld, is de door belanghebbende gestelde melding bij brief van 20 december 2009 hoe dan ook te laat geweest, aldus het Hof. Voorts heeft het Hof verworpen het standpunt van belanghebbende dat de aansprakelijkstelling voor de loonheffingenschuld moet vervallen omdat de Ontvanger reeds uit anderen hoofde bekend was met de betalingsonmacht van [A]. Aldus is belanghebbende volgens het Hof terecht op de voet van artikel 36, lid 4, IW aansprakelijk gesteld en wordt hij niet toegelaten tot weerlegging van het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
2.3.4.
Het Hof heeft verder – onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, nr. 09/00422, ECLI:NL:HR:2011:BL0202, BNB 2011/176, en 21 september 2012, nr. 11/04755, ECLI:NL:HR:2012:BX7943, BNB 2012/296 – geoordeeld dat artikel 36, lid 4, IW niet strijdig is met het communautaire evenredigheidsbeginsel of artikel 1 EP Pro.
2.3.5.
Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat het belopen van de bij de naheffingsaanslagen vastgestelde betaalverzuimboeten aan belanghebbende is te wijten in de zin van artikel 32, lid 2, IW, zodat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor die boeten.
2.3.6.
Het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.3.5 weergegeven oordelen van het Hof.
2.4.1.
Middelonderdeel 1 betoogt dat geen sprake meer kan zijn van het ontstaan van een meldingsplicht in de aangiftefase als bedoeld in artikel 7, lid 1, UBIW, nadat voor alle loontijdvakken de betalingstermijn van artikel 19, lid 1, AWR is verstreken. In dat geval geldt volgens het middelonderdeel de meldingstermijn van artikel 7, lid 2, UBIW, zodat de betalingsonmacht pas na het opleggen van de naheffingsaanslagen had moeten worden gemeld.
2.4.2.
Bij de beoordeling van het middelonderdeel wordt vooropgesteld dat bij artikel 7 UBIW Pro geen nadere regel is gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop de mededeling bedoeld in artikel 36, lid 2, IW moet worden gedaan in een geval waarin de betalingsonmacht pas ontstaat meer dan twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen ingevolge artikel 19 AWR Pro. Artikel 7, lid 1, UBIW is in een dergelijk geval niet van toepassing aangezien de betalingsonmacht is ontstaan na het tijdstip waarop ingevolge die bepaling de mededeling moet worden gedaan en artikel 7, lid 2, UBIW is in dat geval niet van toepassing aangezien de nageheven loonheffingen niet meer belopen dan die welke overeenkomstig de aangiften hadden moeten worden afgedragen. Dit brengt mee dat ingevolge artikel 36, lid 2, IW in een dergelijk geval de mededeling van betalingsonmacht onverwijld na het intreden van de betalingsonmacht - in de regel binnen twee weken - moet geschieden. Het middelonderdeel, dat uitgaat van een andere opvatting, faalt derhalve.
2.5.1.
Voor zover middelonderdeel 2 betoogt dat de Belastingdienst bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt dat betalingsonmacht niet onverwijld na het intreden daarvan behoefde te worden gemeld, faalt het reeds omdat aan dat betoog feiten ten grondslag worden gelegd waarvan uit ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat daarop voor de feitenrechter een beroep is gedaan. Die feiten kunnen niet met vrucht in cassatie voor het eerst worden gesteld.
2.5.2.
Voor zover middelonderdeel 2, voor het overige, bestrijdt ’s Hofs oordeel dat de Ontvanger niet reeds uit anderen hoofde bekend was met de betalingsonmacht van [A], kan het evenmin slagen. Het Hof heeft zich verenigd met het dienaangaande door de Rechtbank gegeven oordeel, dat noch onvoldoende gemotiveerd noch onbegrijpelijk is.
2.6.
De overige middelonderdelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelonderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling ambtshalve van de duur van de procedure in cassatie

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 31 december 2013. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden. Aangezien de verzuimboeten waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld minder bedragen dan € 1000, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.