ECLI:NL:HR:2016:357

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
15/00690
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AWRArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van het recht tot invordering staat niet ter beoordeling van de belastingrechter

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de bij navorderingsaanslagen vastgestelde belastingschulden inmiddels waren verjaard. Het Gerechtshof Den Haag had geoordeeld dat belanghebbende terecht was geïdentificeerd als houder van een bankrekening bij KB Lux.

In cassatie klaagde belanghebbende dat het hof onbesproken had gelaten de verjaring te beoordelen. De Hoge Raad oordeelde dat de verjaring van het recht tot invordering niet ter beoordeling van de belastingrechter staat en dat verjaring niet kan leiden tot vernietiging van belastingaanslagen.

De overige klachten van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet tot rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidden.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de verjaring van het recht tot invordering staat niet ter beoordeling van de belastingrechter.

Uitspraak

4 maart 2016
Nr. 15/00690
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 7 januari 2015, nrs. BK-13/01403 tot en met BK-13/01423, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/11568, SGR 12/11570 tot en met SGR 12/11578, SGR 12/11580, SGR 12/11582, SGR 12/11584 tot en met SGR 12/11592) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1994 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1995 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende terecht is geïdentificeerd als houder van de rekening met nummer [0003] bij de KB Lux-bank.
2.2.
In cassatie wordt terecht erover geklaagd dat het Hof in de bestreden uitspraak onbesproken heeft gelaten de door belanghebbende betrokken stelling dat de bij de navorderingsaanslagen vastgestelde belastingschulden inmiddels zijn verjaard. Tot cassatie kan dit niet leiden, aangezien de verjaring van het recht tot invordering niet ter beoordeling van de belastingrechter staat en die verjaring – wat daarvan verder zij – niet ertoe kan leiden dat de belastingrechter de desbetreffende belastingaanslagen moet vernietigen.
2.3.
Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.