Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wettelijk kader
5.Verjaring van de aansprakelijkstelling
6.Beschouwing
Mag de belastingrechter oordelen over de verjaring?
7.Beoordeling van het middel
eerste plaatsaf of de in-de-plaats-treding zich ook uitstrekt tot de indiening van verzoeken door de belastingschuldige. Mijn indruk is dat de wetgever slechts wilde bewerkstelligen dat de ontvanger een stuitende of verlengende bekendmaking ook kan doen aan de aansprakelijkgestelde. De tekst van art. 27(2) IW 1990 laat echter een ruimere lezing toe, in die zin dat de aansprakelijkgestelde op grond van die bepaling ook kan optreden namens de niet meer bestaande belastingschuldige, voor zover het betreft de stuiting of verlening van de verjaring.
tweede vraag, namelijk of een verzoek om uitstel van betaling van de aansprakelijkgestelde een handeling is die valt binnen de grenzen van het “voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn”. Geen belastingschuldige of aansprakelijkgestelde zal bij zijn volle verstand willen aansturen op die stuiting of verlenging. Hooguit zal hij die verlenging willen aanvaarden als een consequentie van een verzoek om uitstel van betaling. Maar daarmee is niet gezegd dat een verzoek om uitstel van betaling automatisch een verzoek betreffende de verlening van de verjaringstermijn is.
derde vraag, namelijk of die in-de-plaats-treding ziet op elke handeling van de aansprakelijkgestelde, of dat van geval tot geval moet worden bezien of de aansprakelijkgestelde van de in-de-plaats-treding gebruik heeft willen maken. De tekst van art. 27(2) IW 1990 suggereert dat het niet gaat om een bevoegdheid waarvan de aansprakelijkgestelde naar believen gebruik kan maken, maar van een automatisme. Er staat niet dat de aansprakelijkgestelde (facultatief) in de plaats kan treden, er staat (imperatief) dat hij in de plaats treedt. Maar zo’n imperatief in-de-plaats-treden heeft wel een merkwaardige consequentie. Want als een uitstelverzoek van de aansprakelijkgestelde altijd zou moeten worden gezien als een verzoek om uitstel van betaling van de belastingschuld zelf, zou toewijzing van het verzoek betekenen dat de (niet meer bestaande) belastingschuldige niet langer in verzuim is, en dat de aansprakelijkstelling dus moet worden ingetrokken of vernietigd (6.8 tot en met 6.166.16). Dat zou precies het omgekeerde zijn van wat de Inspecteur en de Staatssecretaris willen bereiken.