Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
15 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in hennep en hasjiesj. Het hof stelde vast dat verdachte als leidinggevende of baliemedewerker betrokken was bij een coffeeshop en dat er grote hoeveelheden drugs in zijn woning werden aangetroffen.
De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van betrokkenen, proces-verbalen van politie, afgeluisterde telefoongesprekken, sms-berichten en camerabeelden. Deze toonden aan dat verdachte en zijn medeverdachten een georganiseerde structuur hadden met als oogmerk het plegen van misdrijven zoals het opzettelijk verkopen, afleveren en aanwezig hebben van hennep en hasjiesj.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie over deelneming aan een criminele organisatie en oordeelt dat het oordeel van het hof dat verdachte deelnam aan deze organisatie niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie gericht op hennephandel.