De zaak betreft een cassatieberoep van VDP Dental Laboratory N.V. tegen uitspraken van de rechtbank Haarlem inzake de toepassing van de omzetbelastingvrijstelling voor tandprothesen.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 26 februari 2015 heeft geoordeeld dat een belastingplichtige niet gelijktijdig aanspraak kan maken op een nationale vrijstelling en op het recht op aftrek van omzetbelasting. Tevens bevestigde het Hof dat de intracommunautaire verwerving en invoer van tandprothesen vrijgesteld zijn van omzetbelasting indien de lidstaat geen gebruik maakt van de overgangsregeling.
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende, die tandprothesen leverde zonder omzetbelasting in rekening te brengen en wel aftrek claimde, niet alsnog aanspraak kan maken op aftrek van omzetbelasting. De onjuiste implementatie van de richtlijn leidt niet tot behoud van aftrekrecht zonder betaling van omzetbelasting.
Ook het beroep van de Staatssecretaris faalt, omdat de invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen vrijgesteld zijn van omzetbelasting.
De Hoge Raad verklaart beide beroepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende.