Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 maart 2016.
Hoge Raad
Verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot doodslag na een incident op 31 januari 2013 te Lelystad waarbij hij zijn medeverdachte met een mes in de borst stak. Verdachte stelde zich op het standpunt dat sprake was van noodweerexces, omdat hij handelde uit zelfverdediging na aanvallen met een pijp.
Het hof oordeelde dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk was geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. De verklaringen van verdachte en getuigen waren tegenstrijdig en gaven geen helder beeld van de toedracht. Verdachte gaf geen openheid van zaken over het gebruik van geweld, waardoor het hof het beroep op noodweerexces verwierp.
De Hoge Raad stelde voorop dat het ontkennen van de tenlastegelegde gedraging niet zonder meer het slagen van een beroep op noodweerexces in de weg hoeft te staan en dat de last tot aannemelijk maken van de feitelijke grondslag niet uitsluitend op verdachte mag rusten. Desondanks vond de Hoge Raad het oordeel van het hof dat geen noodweersituatie aannemelijk was geworden feitelijk en niet onbegrijpelijk.
Het cassatieberoep faalde en de Hoge Raad verwierp het beroep, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor poging tot doodslag zonder toepassing van noodweerexces.