Uitspraak
1.Geding in cassatie
(...)
De raadsman voert aan - zakelijk weergegeven -:
(...)
3.Beslissing
29 maart 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg door de Politierechter veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, vanwege de verkoop van cocaïne. De politierechter hield rekening met de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf geheel niet ten uitvoer werd gelegd tenzij de verdachte de proeftijd zou schenden.
In hoger beroep legde het Gerechtshof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op, met motivering dat de ernst van het feit en de maatschappelijke gevaren van harddrugs een zwaardere straf vereisten. Het hof erkende de termijnoverschrijding in eerste aanleg maar vond dat dit geen rechtsgevolgen hoefde te hebben vanwege de voortvarende behandeling in hoger beroep.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven voor de zwaardere straf en dat het opleggen van een zwaardere straf dan waarover partijen zich hadden uitgelaten niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro.
Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. De strafoplegging van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden voor handel in cocaïne ondanks termijnoverschrijding.