Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
8 april 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Verzoekster heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de tussentijdse beëindiging van haar WSNP-procedure bevestigde. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO, omdat verzoekster onvoldoende belang had bij de behandeling van het beroep.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest van het gerechtshof en het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vormden de feitelijke grondslag van het geschil. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 80a lid 1 RO in zaken betreffende tussentijdse beëindiging van de WSNP en de toetsing van ontvankelijkheid in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de behandeling.