Belanghebbende ontving een schenking van een certificaat in een vastgoedholding die een omvangrijke portefeuille beheert met meer dan 350 onroerende zaken en bijna 900 huurcontracten.
De Inspecteur stelde de waarde van het vermogen lager vast en ging uit van 90% beleggingsvermogen, waardoor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing zou zijn. Het Hof oordeelde echter dat het vastgoedconcern een materiële onderneming drijft, omdat de activiteiten en het behaalde rendement (ongeveer 20%) het normale vermogensbeheer overstijgen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het Hof een juiste rechtsopvatting hanteerde over het begrip ondernemingsvermogen in artikel 35b, lid 3, SW. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.