Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
15 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker, woonachtig te een woonplaats, beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft een afwijzing van een toelatingsverzoek in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), waarbij het ging om de toepassing van de hardheidsclausule en de goede trouw van verzoeker.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Overijssel en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het geding in feitelijke instanties. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en gegrondheid.