Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte verhuurde een voormalige skiruimte in zijn sportschool te Didam, waarin een hennepkwekerij werd aangetroffen met 686 hennepplanten. Het hof stelde vast dat verdachte wist van de aanwezigheid van stroom- en wateraansluitingen en dat hij de ruimte inclusief deze voorzieningen verhuurde, ondanks dat hij de huurder niet persoonlijk kende.
De politie vond op 21 september 2011 twee in werking zijnde hennepkwekerijen in de verhuurde ruimte, bevestigd door tests die aanwezige planten als hennep met THC identificeerden. Verdachte verklaarde dat hij de ruimte had verhuurd en dat hij zicht had op de toegangsdeur, maar beweerde weinig te hebben gemerkt van activiteiten in de ruimte.
Het hof oordeelde dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er hennep werd geteeld en dat hij opzettelijk behulpzaam was door de ruimte ter beschikking te stellen. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot medeplichtigheid werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte medeplichtig is aan het telen van hennep door opzettelijk behulpzaam te zijn geweest via verhuur van de ruimte.