Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
op de hoogte moet zijn geweestvan de in het door hem onderverhuurde pand aanwezige hennepkwekerij niet alleen de door de steller van het middel weergegeven omstandigheden in aanmerking genomen. Het hof heeft vooral ook meegewogen de omstandigheid dat het de verklaring van de verdachte dat hij in de periode tussen 1 oktober 2015 en tot 1 februari 2016 niet
inhet pand is geweest, niet aannemelijk heeft geacht. Het hof komt tot die niet-aannemelijkheid omdat de verdachte wisselend heeft verklaard over het al dan niet in bezit hebben van de/een sleutel van het pand (uiteindelijk heeft hij verklaard dat hij een reservesleutel had) en over de betaling van de huurpenningen. Over de betaling daarvan heeft hij uiteindelijk verklaard dat hij nooit huurpenningen heeft gekregen en dat deze pas achteraf - tegen maart (plv-AG: 2016) - zouden worden betaald. Het hof is van oordeel dat “dit laatste past in het beeld van een hennepkwekerij waarbij pas na een oogst opbrengsten zijn te verwachten.” Hier legt het hof nadrukkelijk een relatie met het concrete misdrijf (de teelt van hennep) en – zo begrijp ik – met het daarop gerichte opzet van de verdachte.