In deze zaak stond centraal of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) van toepassing is op een indirect gehouden aandelenbelang in een dochtermaatschappij via een houdstermaatschappij. De belanghebbende erfde aandelen in een houdstermaatschappij die op haar beurt een meerderheidsbelang hield in een actieve vennootschap.
De Rechtbank oordeelde dat het belang in de dochtermaatschappij ondernemingsvermogen vormt voor de houdstermaatschappij en daarmee onder de BOR valt. Het Hof was van oordeel dat het indirecte belang geen aanmerkelijk belang vormde, waardoor de BOR niet van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad stelde vast dat de vermogensetikettering op houdsterniveau, zoals voorgeschreven in artikel 35c, lid 5, SW, ertoe leidt dat het indirect gehouden belang moet worden gekwalificeerd als ondernemingsvermogen. Hierdoor is de BOR wel van toepassing. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde het oordeel van de Rechtbank.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Tevens werd het betaalde griffierecht aan de belanghebbende vergoed.