ECLI:NL:HR:2010:BL0193
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing op pensioen- en stamrechtverplichtingen in nalatenschap
Belanghebbende, de enige erfgename van haar in 2004 overleden vader, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag die een aanslag successierecht betrof. De aanslag was verminderd na bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het geschil betrof de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35b Successiewet 1956 toegepast kon worden op de verkrijging van aandelen in een BV waarin pensioen- en stamrechtverplichtingen bestonden.
De Rechtbank oordeelde dat de faciliteit niet van toepassing was omdat de BV geen onderneming dreef met betrekking tot haar pensioen- en stamrechtverplichtingen, en dat de verhuur van een bedrijfspand en bestuursactiviteiten niet boven normaal vermogensbeheer uitgingen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het begrip ondernemingsvermogen in materiële zin moet worden uitgelegd, waarbij de ondernemingsficties uit de Wet op de vennootschapsbelasting niet van toepassing zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de waarderingen van feitelijke aard niet in cassatie kunnen worden getoetst. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet van toepassing op de pensioen- en stamrechtverplichtingen van de BV.