Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 april 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland inzake een uitleveringsverzoek van het Koninkrijk Noorwegen. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon, vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Hierop verwerpt de Hoge Raad het beroep en bevestigt daarmee het vonnis van de Rechtbank Gelderland. Het arrest is gewezen door de vice-president van Dorst als voorzitter en de raadsheren Van de Griend en Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het uitleveringsvonnis van de Rechtbank Gelderland blijft in stand.