Conclusie
Inleiding
Het uitleveringsverzoek en de procesgang
4 De beslissing
note verbaled.d. 26 augustus 2021 en met het kenmerk Z-2021/78908903-KOAB/3318533 toegestuurd aan het IRC Limburg. Deze
note verbalebestaat uit (i) een aanbiedingsbericht dat is ondertekend en een stempel bevat met de tekst “Türkiye Cumhuriyeti Disisleri Bakanlig” en (ii) een bijlage bij deze brief. Beide in het Turks opgestelde stukken zijn in het Nederlands vertaald.
Het middel
note verbale, genoegzaam zijn, althans dat de rechtbank het desbetreffende namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Aangevoerd wordt dat de authenticiteit van die stukken niet is gewaarborgd en dat evenmin vaststaat of deze stukken door een beëdigd vertaler zijn vertaald.
De bespreking van het middel
3. De beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering
note verbaled.d. 26 augustus 2021 van de Turkse autoriteiten met kenmerk Z-2021/78908903-KOAB/33185332 met bijlage (deze brief met bijlagen is ter zitting overgelegd door de officier van justitie en toegevoegd aan het dossier).
note verbalevan de Turkse autoriteiten die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bijlage bij de brief van 21 september 2021 naar het IRC Limburg is gestuurd naar aanleiding van de vragen van de rechtbank niet gewaarmerkt is en evenmin vermeldt door wie het stuk in de Turkse taal in het Nederlands is vertaald.
note verbaleen een beroep op de weigeringsgrond ex artikel 26, derde lid, van de Uitleveringswet kan niet slagen, nu de vrijspraken van de twee medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] niet onherroepelijk zijn.
note verbalevandaan? De authenticiteit valt niet te controleren. Uit het stuk had moeten blijken dat het door een beëdigd vertaler is vertaald. In het kort erkent men in elk geval wel dat de arresten die ik in juni 2021 heb overgelegd juist zijn, maar verder blijkt niet wat er sinds het wijzen van die arresten in 2012 is gebeurd. Ik vind dus niet dat je op basis van dit stuk kunt zeggen dat alle vragen van de rechtbank zijn beantwoord. Alleen al daarom verzoek ik de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, omdat de stukken niet genoegzaam zijn. Die zijn niet genoegzaam, afgewogen tegen de stelling van cliënt dat hij onschuldig is, welke stelling we zoveel als mogelijk is hebben onderbouwd. Meer kan niet worden verwacht van de verdediging. Het is zo’n oude zaak dat je nu niet van cliënt kunt verwachten dat hij nog een alibi verschaft. Als zou blijken dat we te maken hebben met een authentieke stuk, dan blijkt dat Turkije niet alle informatie en zelfs onjuiste informatie heeft gegeven in het verzoek. Daar moet een verstrekkend gevolg aan worden verbonden. De straffen die aan de medeverdachten waren opgelegd in eerste aanleg zijn al in 2012 vernietigd. Daar zien we niets van terug in het uitleveringsverzoek van 5 augustus 2019. Zo kan ik niet uit de
note verbaleopmaken waarom de zaak tegen cliënt eerst behandeld zou moeten worden. Heeft de lange duur van zijn procedure dan te maken met de verzetsprocedure bij de Turkse Hoge Raad? Dat kan ik niet uit de stukken halen. Ik verzoek de rechtbank dan ook primair de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair verzoek ik de rechtbank de zaak aan te houden en opnieuw nadere informatie op te vragen bij de Turkse autoriteiten. Het bevreemdt mij dat er verzet mogelijk is tegen de vrijspraken van de Turkse Hoge Raad. Hoe dan ook is de stand van zaken nu dat er een vernietigend arrest ligt ter zake van de vermeende “grote mannen” in de zaak. De laatst genomen beslissing in de zaak is dus een vrijspraak in 2012. Dat betekent ook dat er een vrijspraak van cliënt moet volgen.”
note verbaleblijkt niet door welke instantie dat stuk is opgemaakt en evenmin wie de vertaling daarvan heeft verzorgd. Aan de genoegzaamheid van de stukken en de juistheid van het oordeel van de rechtbank daarover doet dat naar mijn inzicht niet af. Daarbij neem ik ten eerste in aanmerking dat de overweging van de rechtbank, die onder het hoofd “3.4.
De genoegzaamheid van de stukken” is opgenomen en hierboven in randnummer 9 is weergegeven, mijns inziens als haar oordeel besloten ligt dat de note verbale als authentiek kan worden aangemerkt. Dit impliciete oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk acht ik dat oordeel niet, nu de – van de
note verbaledeel uitmakende – aanbiedingsbrief is ondertekend en van een stempel is voorzien met de tekst “Türkiye Cumhuriyeti Disisleri Bakanlig”, terwijl er geen reden is aan de authenticiteit daarvan te twijfelen. Ten tweede neem ik in aanmerking dat geen verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling als hier bedoeld de eis stelt dat een stuk als de onderhavige
note verbaledoor een beëdigd vertaler moet zijn vertaald dan wel dat uit een waarmerk blijkt dat deze door een beëdigd vertaler is vertaald. Onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde conclusie van Vegter volsta ik hier met de opmerking dat het in dit verband uiteindelijk om de begrijpelijkheid draait en dat, wat de onderhavige uitleveringszaak betreft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal op de zitting niet is aangevoerd dat de vertaling zo onduidelijk of onbegrijpelijk is dat de opgeëiste persoon (of zijn raadsman) niet naar behoren kennis heeft kunnen nemen van de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek en dat daarover evenmin in de cassatieschriftuur iets wordt aangevoerd.
Slotsom