Conclusie
eerste middelbehelst de klachten dat de rechtbank het bepaalde in artikel 18 Uitleveringswet Pro heeft verzuimd door genoegen te nemen met stukken waarvan onvoldoende vast stond dat die authentiek waren en/of door een beëdigde tolk vertaald waren.
authentiek verzoek tot uitlevering in een in het uitleveringsverdrag genoemde taal met bijlagen d.d. 3 juli 2015”en “
een authentiek afschrift van een door Noorwegen tegen de opgeëiste persoon afgegeven bevel tot aanhouding gegeven door een Noorse rechter – de rechtbank in eerste aanleg van Halden – d.d. 22 mei 2015”. De rechtbank heeft in haar beslissing vastgesteld het ene stuk “authentiek” is en het andere “een authentiek afschrift” betreft. Dat oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [1] In zoverre merk ik ten overvloede op dat zich bij de stukken bevindt een verzoek tot uitlevering d.d. 3 juli 2015 dat blijkens het briefhoofd afkomstig is van het “Oslo statsadvokatembeter” en is ondertekend door “Tonje Tonder” waaronder is geschreven “statsadvokat”, waarop met blauwe inkt een handtekening is geplaatst en waarop een stempel is gezet met als randschrift “OSLO STATSADVOKATEMBETER”. Bij de stukken bevindt zich tevens een aanhoudingsbevel d.d. 22 mei 2015 waarop een stempel is geplaatst “RETT KOPI 7 juli 2015” waarbij met blauwe inkt een handtekening is geplaatst. Het oordeel van de rechtbank, dat het hierbij gaat om een authentiek uitleveringsverzoek respectievelijk een authentiek afschrift van een aanhoudingsbevel, is niet onbegrijpelijk. [2]
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 26 Uitleveringswet Pro niet heeft onderzocht of [de opgeëiste persoon] “inderdaad niet onschuldig is”. Als ik het middel letterlijk zou lezen, dan zou het reeds falen omdat het verweer dat de opgeëiste persoon “niet onschuldig” is, de opgeëiste persoon bepaald niet kan baten.
[...]