Belanghebbende exploiteerde een kringloopwinkel en voerde in haar vennootschapsbelastingaangifte voor 2012 personeelskosten op, waaronder fictieve kosten voor vrijwilligersarbeid. De Inspecteur wees deze fictieve kosten af omdat het aantal door vrijwilligers gewerkte uren minder dan 70% van het totaal was.
De Rechtbank oordeelde dat het begrip “hoofdzakelijk” in artikel 9, lid 1, letter h, Wet Vpb 1969 betekent dat ten minste 70% van de arbeid binnen de organisatie door vrijwilligers moet zijn verricht. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat de 70%-norm betrekking zou moeten hebben op het bedrag van aftrekbare kosten ten opzichte van de winst. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.