Belanghebbende, de provincie Zeeland, voerde de Non-activiteitsregeling Zeeland 2013 in om vrijwillige uitstroom van werknemers van 57 jaar en ouder te bevorderen met behoud van dienstverband en non-activiteitsverlof tot de AOW-leeftijd. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had geoordeeld dat deze regeling een regeling voor vervroegde uittreding is in de zin van artikel 32ba, lid 6, Wet LB 1964, en dat de door belanghebbende afgedragen loonheffingen terecht waren.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het doel en de intentie van de regeling wel degelijk van belang zijn voor de kwalificatie als regeling voor vervroegde uittreding, en verwees naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën uit 2005. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het bij de beoordeling gaat om de aard van de uitkeringen of verstrekkingen zelf, namelijk of deze dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen tot de pensioendatum, en niet om de beweegredenen van de werkgever.
De Hoge Raad stelde vast dat de regeling erop gericht is werknemers van 57 jaar en ouder non-activiteitsverlof te verlenen met een uitkering tot aan de pensioendatum, en dat dit voldoet aan de definitie van een regeling voor vervroegde uittreding. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.