ECLI:NL:HR:2017:1042

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2017
Publicatiedatum
8 juni 2017
Zaaknummer
15/05287
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 47 AWR
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak belastingplichtigen tegen Staat over inlichtingenverstrekking buitenlandse bankrekening

In deze zaak vorderde de Belastingdienst van de belastingplichtigen het verstrekken van inlichtingen over een buitenlandse bankrekening, op grond van artikel 47 AWR Pro en het Koninklijk Besluit betreffende Luxemburg (KB-Lux). De belastingplichtigen stelden zich hiertegen, waarna de zaak in eerste aanleg en hoger beroep werd behandeld. Het gerechtshof Den Haag wees het beroep van de belastingplichtigen af.

De belastingplichtigen stelden vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten en beoordeelt de aangevoerde middelen. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro oordeelt de Hoge Raad dat de klachten niet leiden tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de belastingplichtigen in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

9 juni 2017
Eerste Kamer
15/05287
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. A.J.F. Gonesh, thans mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de belastingplichtigen en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/10/435063/KG ZA 13-1069 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 november 2013;
b. het arrest in de zaak 200.148.645/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 juni 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de belastingplichtigen beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. C.M. Bergman. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de belastingplichtigen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
9 juni 2017.