Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van witwassen van circa €470.562,-, waarbij hij met behulp van een omwisselconstructie via de Duitse Lotto de herkomst van het geld verdoezelde. Het hof baseerde zich op uitgebreid bewijs, waaronder bankafschriften, getuigenverklaringen en deskundigenrapporten.
De verdachte had verklaard dat het geld afkomstig was van een Duitse loterijwinst, maar het hof oordeelde dat deze verklaring niet aannemelijk was. Uit het dossier bleek dat het prijzengeld in werkelijkheid door het wedbedrijf Combiplay was gewonnen en via een tussenpersoon ([A]) werd uitgekeerd, waarna verdachte het bedrag contant aan deze tussenpersoon gaf. Vervolgens werd het bedrag door verdachte op zijn Nederlandse bankrekening gestort.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verdachte voor zover het de bewezenverklaring betrof, maar stelde vast dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren had opgelegd, terwijl volgens de toen geldende wetgeving de proeftijd maximaal twee jaren kon bedragen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor dit onderdeel en stelde de proeftijd vast op twee jaren.
Uitkomst: Veroordeling voor witwassen bevestigd met proeftijd aangepast naar twee jaren.