Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor meervoudig seksueel misbruik van minderjarige stiefdochters in de periode 1995-2009.
De bewezenverklaringen betreffen gedetailleerde getuigenissen van twee slachtoffers die seksuele handelingen met de verdachte beschrijven, ondersteund door verklaringen van getuigen en gedragswetenschappers. Het hof oordeelde dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen en dat er voldoende steunbewijs is, ondanks dat de slachtoffers niet over elkaars misbruik konden verklaren.
De Hoge Raad bevestigt dat het bewijs niet uitsluitend op één getuige mag rusten, maar dat in dit geval de verklaringen elkaar zodanig ondersteunen dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. De motivering van het hof wordt als voldoende beschouwd en het cassatieberoep wordt verworpen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de samenhang tussen verklaringen en ander bewijs in zedenzaken en bevestigt de rechtspraak dat geen algemene regels kunnen worden gegeven over het bewijsminimum, maar dat dit per concreet geval moet worden beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het arrest van het hof en verwerpt het cassatieberoep wegens voldoende steunbewijs voor de bewezenverklaringen van seksueel misbruik.