Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof voor het bewijs van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde schakelbewijsconstructie, terwijl aan de voorwaarden daarvoor niet is voldaan. Het
tweede middelklaagt dat het hof in strijd heeft gehandeld met de bewijsminimumregel van art. 342, tweede lid, Sv doordat het hof het bewijs dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan uitsluitend heeft aangenomen op verklaringen van de aangeefster [betrokkene 1] . Het
derde middelbevat eenzelfde klacht met betrekking tot het bewijs van de feiten 2 en 3, dat uitsluitend zou steunen op de verklaringen van de aangeefster [betrokkene 2] . De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
als verklaring van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1986, aangeefster:
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) in ons leven. Dat is nu mijn stiefvader.
Opmerking verbalisant: Aangeefster maakt een beweging met haar hand bij haar mond en die beweging is alsof je een piemel pijpt.)
aangeefster heeft een gebalde vuist met de duim tussen de wijs- en middelvinger), dan betekende dat neuken en dan moest ik eerst naar boven. Als hij dat deed, dan keek hij heel vrolijk en blij, maar als ik dan dat teken zag en naar beneden keek en met mijn hoofd zacht nee schudde, zodat mijn moeder het ook niet zag, dan zag ik zijn gezichtsuitdrukking veranderen. In helemaal boos. Dan ging hij weer kwetsende dingen zeggen of mij negeren.
het hof begrijpt: een dochter van aangeefster) hadden geneukt. Ik hoorde direct allemaal alarmbellen afgaan. Bij Inter-Psy wilden ze eerst een beeld van de ouders hebben om te kijken waar zijn gedrag vandaan zou kunnen komen. Ik kreeg dus heel veel vragen, indringende vragen, en toen kwam het eruit bij mij. Ik heb gezegd dat ik misbruikt ben door mijn stiefvader.
als verklaring van [betrokkene 2] , aangeefster:
[betrokkene 2]op 18 februari 2016 ten overstaan van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris in strafzaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder ede afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
het hof begrijpt: haar zusje [betrokkene 3]) gedaan heeft, dan is het net of ik haar haar vader ontnomen heb. Daar zou ik me heel schuldig over voelen.
als verklaring van [betrokkene 1] , getuige:
Opmerking verbalisant: In eerste instantie werd er met getuige een afspraak gemaakt voor het doen van aangifte. Getuige bevindt zich in een loyaliteitsconflict en kan en wil op dit moment geen aangifte doen. Wel wenst getuige een getuigenverklaring af te leggen in de zaak tegen haar vader, welke is gestart naar aanleiding van een aangifte door de zus van getuige.
[betrokkene 1]op 18 februari 2016 ten overstaan van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris in strafzaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder ede afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van [betrokkene 7] , getuige:
Het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) Ik vroeg wanneer deze stiefvader in beeld was. Zij vertelde mij dat zij vanaf haar negende tot zij het huis uitging misbruikt was. Volgens mij was ze toen 18 jaar. Ik heb gevraagd of het langdurig en fors misbruik was, in andere bewoordingen. Ze vertelde dat ze er nu last van had. Zij gaf aan dat het rond haar 11e was dat ze was ontmaagd door haar stiefvader. En dat het regelmatig gebeurde. Ik heb nog gevraagd of ze het met iemand heeft gedeeld. Bijvoorbeeld met haar moeder. Zij vertelde dat ze nooit wat tegen haar moeder of een vriendinnetje heeft gezegd. Haar moeder wist van niets. Ook aan haar man heeft ze niets verteld. Ik was de eerste aan wie ze het vertelde.
als verklaring van [getuige] , getuige:
Het hof begrijpt: in Wildervank) Ik werk al 34 jaar in het basisonderwijs.
Zie proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 94.
bewijsmiddel 4), is authentiek. Dat zij in haar (vroege) puberteit min of meer is ontspoord ondermijnt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet.
zie bewijsmiddel 4) dat zij de voorkeur geeft aan het beantwoorden van vragen en moeite heeft met uit zichzelf vertellen over hetgeen er is gebeurd.
bewijsmiddelen 1 en 7) hebben [betrokkene 2] in september 2013 zodanig uit haar (relatieve) evenwicht gebracht dat zij tegenover de psychologe van haar zoontje voor het eerst het haar overkomen misbruik heeft genoemd. Niet in te zien valt dat zij, reeds jarenlang uit de invloedssfeer van verdachte en op dat moment nog onkundig van het seksueel misbruik van haar zusje [betrokkene 1] , om welke beweegredenen dan ook tot een dergelijk verzinsel zou komen. Ook [betrokkene 2] heeft nadien nog enkele maanden geaarzeld of zij aangifte zou doen, gelet op alle voorzienbare en onvoorzienbare gevolgen.
Zie de inleiding op het informatieve gesprek op dossierpagina 63. De moeite die ook [betrokkene 1] vervolgens heeft gehad om verder gevolg te geven aan haar 'disclosure' is reeds aan de orde geweest. In januari 2014 hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] voor het eerst en uiterst globaal met elkaar gesproken over het feit dat zij beiden door hun (stief)vader seksueel waren misbruikt.
zie de bewijsmiddelen 7 en 8), bevestigen weliswaar onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en zijn in die zin van belang, maar eveneens onvoldoende toereikend om als steunbewijs te dienen.
NJ2017/38 m.nt. Schalken geen steun in het recht de opvatting dat bij de bewijsvoering slechts van schakelbewijs gebruik kan worden gemaakt indien de aan dat bewijs ontleende modus operandi steunt op de aan meer dan een ander bewezenverklaard feit ten grondslag gelegde bewijsmiddelen.
de audituverklaringen van [betrokkene 7] en [getuige], die zij op grond van hun professionele betrokkenheid in relatie tot de aangeefsters hebben afgelegd, weliswaar onderdelen van de verklaringen van aangeefsters bevestigen en in die zin van belang zijn, maar ontoereikend zijn om als steunbewijs te dienen. [5]
datsprake is van een “evidente samenhang tussen beide bronnen”. De nadere motivering
waaruitdie samenhang dan wel precies bestaat ligt namelijk deels reeds besloten in ’s hofs vaststelling van de omstandigheid dat “sprake is van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte”, terwijl die nadere motivering voorts voor het overige rechtstreeks uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt. Uit die bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat sprake is van een duidelijke onderlinge samenhang in de aard van de ontuchtige handelingen en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden. Ik noem hier de volgende elementen: