Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het verloop van het geding
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst van een horecagelegenheid centraal, waarbij de huurder meerdere malen te laat betaalde. De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden wegens betalingsachterstanden over augustus, september en oktober 2013. Het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat de betalingsachterstanden vooral het gevolg waren van tijdelijke liquiditeitsproblemen door wateroverlast, waardoor ontbinding niet gerechtvaardigd was.
Daarnaast was er een geschil over de onrechtmatige executie van het vonnis van de kantonrechter. Het hof oordeelde dat de verhuurster onrechtmatig had gehandeld door het vonnis uit te voeren en veroordeelde haar tot schadevergoeding. De Hoge Raad bevestigde dat een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige executie als eisvermeerdering in hoger beroep kan worden ingesteld wanneer dezelfde partij zowel verwerende als eisende partij is.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verhuurster en veroordeelde haar in de proceskosten. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd dat tijdelijke betalingsachterstanden geen grond voor ontbinding vormen en dat schadevergoeding wegens onrechtmatige executie mogelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat tijdelijke betalingsachterstanden ontbinding niet rechtvaardigen en dat schadevergoeding wegens onrechtmatige executie mogelijk is.