Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.
De Hoge Raad oordeelde dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat betrokkene het recht is gelaten het laatste woord te voeren. Dit is een vereiste volgens artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het niet naleven hiervan leidt tot nietigheid van de uitspraak.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en afdoening op het bestaande hoger beroep. Het middel slaagde voor zover het betrof het ontbreken van het laatste woord, voor de rest behoefde het geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens het niet verlenen van het recht op het laatste woord.