ECLI:NL:PHR:2017:606

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
10 juli 2017
Zaaknummer
15/03390
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 511d SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet naleven recht op het laatste woord in ontnemingsprocedure

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €10.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het centrale geschilpunt in cassatie betreft de vraag of aan betrokkene het recht op het laatste woord is verleend, zoals vereist op grond van artikel 311, vierde lid, Sv.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2015 blijkt niet dat betrokkene dit recht is gegeven. De zitting verliep met verklaringen van betrokkene en zijn raadsman, gevolgd door de pleidooien van de advocaat-generaal en de raadsman, repliek en dupliek, waarna de voorzitter het onderzoek sloot. Het proces-verbaal is summier en bevat geen vermelding van het laatste woord van betrokkene.

De Procureur-Generaal concludeert dat hierdoor het voorschrift van artikel 311, vierde lid, Sv niet is nageleefd, hetgeen leidt tot nietigheid van het arrest. Gezien dit formele gebrek acht de Hoge Raad vernietiging en terugwijzing noodzakelijk, zodat het gerechtshof de zaak opnieuw moet behandelen waarbij het recht op het laatste woord aan betrokkene wordt verleend.

Andere middelen of gronden voor ambtshalve vernietiging zijn niet aangetroffen. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting op het bestaande beroep.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het recht op het laatste woord wordt nageleefd.

Conclusie

Nr. 15/03390 P
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
In zijn arrest van 29 juni 2015 heeft het Gerechtshof Den Haag het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 24.068,95 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-.
Namens de betrokkene heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij aanvullende schriftuur van 18 mei 2016 een (nieuw) middel van cassatie voorgesteld. [1]
3. Het
middelklaagt onder meer dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2015 niet blijkt dat aan de betrokkene het recht is gelaten het laatst te spreken.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2015 houdt, voor zover hier van belang, achtereenvolgens in dat (i) de betrokkene ter terechtzitting aanwezig is, (ii) (wat dan nogal curieus voorkomt) de raadsman mededeelt door de betrokkene bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, (iii) de betrokkene op vragen een verklaring aflegt (zonder dat de inhoud van deze verklaring is weergegeven), (iv) de advocaat-generaal het woord voert en de schriftelijke vordering voordraagt, (v) de raadsman het woord tot verdediging voert, (vi) de advocaat-generaal en de raadsman de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek krijgen, (vii) de voorzitter het onderzoek gesloten verklaart en mededeelt dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van 29 juni 2015 en (viii) de zittingsaantekeningen van de griffier na het wijzen van het arrest in het ongerede zijn geraakt en dat om die reden op summiere wijze het proces-verbaal is opgemaakt.
5. Niet blijkt uit het proces-verbaal dat de betrokkene het recht op het laatste woord is gegeven. Dat betekent mijns inziens dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat hier niet in acht is genomen het ook in de ontnemingsprocedure (in hoger beroep) toepasselijke art. 311, vierde lid, Sv, luidend dat aan de verdachte op straffe van nietigheid het recht wordt gelaten het laatst te spreken. [2]
6. Nu het middel reeds op die grond slaagt, behoeft het voor het overige geen bespreking.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het (enige) middel in de schriftuur van 3 december 2015 is ingetrokken.
2.Zie art. 511d Sv en art. 415 Sv Pro. Zie voorts HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0019; HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364 en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:503 (en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Machielse).