Conclusie
middelklaagt onder meer dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2015 niet blijkt dat aan de betrokkene het recht is gelaten het laatst te spreken.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €10.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het centrale geschilpunt in cassatie betreft de vraag of aan betrokkene het recht op het laatste woord is verleend, zoals vereist op grond van artikel 311, vierde lid, Sv.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2015 blijkt niet dat betrokkene dit recht is gegeven. De zitting verliep met verklaringen van betrokkene en zijn raadsman, gevolgd door de pleidooien van de advocaat-generaal en de raadsman, repliek en dupliek, waarna de voorzitter het onderzoek sloot. Het proces-verbaal is summier en bevat geen vermelding van het laatste woord van betrokkene.
De Procureur-Generaal concludeert dat hierdoor het voorschrift van artikel 311, vierde lid, Sv niet is nageleefd, hetgeen leidt tot nietigheid van het arrest. Gezien dit formele gebrek acht de Hoge Raad vernietiging en terugwijzing noodzakelijk, zodat het gerechtshof de zaak opnieuw moet behandelen waarbij het recht op het laatste woord aan betrokkene wordt verleend.
Andere middelen of gronden voor ambtshalve vernietiging zijn niet aangetroffen. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting op het bestaande beroep.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het recht op het laatste woord wordt nageleefd.