Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uit 2014, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor valsheid in geschrift en passieve niet-ambtelijke omkoping. De Hoge Raad had het cassatieberoep eerder niet-ontvankelijk verklaard.
De herzieningsaanvraag betrof de verjaring van het recht tot strafvordering voor het feit van passieve niet-ambtelijke omkoping, waarbij het strafmaximum op het moment van het ten laste gelegde feit lager was dan na een wetswijziging in 2014. De aanvrager stelde dat het recht tot strafvordering reeds was verjaard vóór het onherroepelijk worden van het hofarrest.
De Hoge Raad oordeelde dat bij wetswijzigingen betreffende verjaring in strafzaken de nieuwe regels direct van toepassing zijn, mits een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Gezien de verhoging van het strafmaximum per 1 januari 2015 was het recht tot strafvordering ten tijde van het arrest van de Hoge Raad in mei 2015 niet verjaard.
Daarom was de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en werd deze afgewezen.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de gewijzigde verjaringstermijnen bij strafzaken en verduidelijkt de criteria voor herziening op grond van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af omdat het recht tot strafvordering niet was verjaard.