Belanghebbende ontving een aanmaning voor niet tijdige betaling van gemeentelijke heffingen 2014, inclusief aanmaningskosten van €15. Tegen deze kosten maakte belanghebbende bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, maar het verzet hiertegen werd gegrond verklaard. Vervolgens behandelde de rechtbank het beroep inhoudelijk en verklaarde het ongegrond, zonder proceskostenveroordeling.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet in aanmerking kwam voor vergoeding van proceskosten omdat het hoger beroep alleen gegrond was vanwege een onjuiste beslissing van de rechtbank, die niet door de invorderingsambtenaar was uitgelokt. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelt dat in belastingzaken het bestuursorgaan in beginsel de proceskosten moet vergoeden indien het rechtsmiddel geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, ook bij verzet en ook als de rechterlijke uitspraak niet door het bestuursorgaan is uitgelokt. Het oordeel van het Hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting en wordt vernietigd. De Hoge Raad veroordeelt het college van burgemeester en wethouders en de invorderingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van de verschillende procedures.