Uitspraak
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet
3.Beslissing
3 februari 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap. De Hoge Raad bepaalde het griffierecht op € 325,--. Tegen deze griffierechtbeslissing werd door opposant verzet ingesteld.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzet. Volgens art. 29 lid 1 Wgbz Pro moet verzet binnen een maand na betaling van het griffierecht worden ingesteld. Betrokkene betaalde het griffierecht op 12 maart 2016, waardoor de termijn eindigde op 12 april 2016. Het verzet werd echter pas op 11 mei 2016 ingediend.
De Hoge Raad verwierp het betoog van verschoonbare termijnoverschrijding en verklaarde het verzet niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Hiermee werd het verzet afgewezen en bleef de griffierechtbeslissing in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de griffierechtbeslissing is te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.