Conclusie
1.Inleiding
- zorgtoeslag: nihil;
- kindgebonden budget: nihil;
- kinderopvangtoeslag € 964.
- belanghebbende € 32.393
- [A] € 19.000 [2]
- kindgebonden budget € 492;
- belanghebbende € 21.113
- de ex-partner € 19.000
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Geschil in cassatie
au fondeen uitvloeisel van hetgeen is bepaald in art. 7, lid 1, Awir [15] . Op grond van dat artikel wordt bij de bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen van een belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen. [16] [17]
, waarbij het moment van toepassing van het gegeven uitmaakt of sprake is van bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering [57] .Voor het belastbare loon biedt het huidige systeem van fiscale rechtsbescherming de burger slechts beperkte mogelijkheden het loongegeven te betwisten. De mogelijkheden voor een werknemer om bezwaar te maken tegen de ingehouden loonbelasting liggen nagenoeg geheel in het lopende kalenderjaar. Dit hangt mede samen met de systematiek van de loonbelasting, waarin voor de inhouding en afdracht wordt aangesloten bij het actuele loon dat hij geniet. In de huidige praktijk komt een dergelijk bezwaar dan ook slechts incidenteel voor. Omdat het authentieke loongegeven eerst opkomt na afloop van het kalenderjaar heeft de burger echter geen goede mogelijkheid het authentieke jaarloon te betwisten. In verband hiermee wordt de mogelijkheid van bezwaar opengesteld tegen het fiscale jaarloon zoals dit door een afnemer wordt toegepast en zichtbaar wordt in het besluit van de afnemer. De afnemer is verplicht het bezwaarschrift (of in voorkomende gevallen: verzoekschrift) door te sturen naar de inspecteur die het verder behandelt. Evenals bij het verzamelinkomen kan een burger verzoeken om ambtshalve vermindering van het authentieke loongegeven. (…) De burger heeft de vrijheid zelf te bepalen bij welke toepassing of bekendmaking hij zijn bezwaren uit tegen het inkomen. [58] Wel kan slechts eenmaal bezwaar worden gemaakt tegen eenzelfde inkomensgegeven.
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt;
d. (…).
BNB2005/143 waren kosten aan de orde in het kader van betekening van een dwangbevel tot betaling van een aan de echtgenoot opgelegde navorderingsaanslag. De echtgenote maakte daartegen bezwaar. De Hoge Raad overwoog: [73]
BNB2016/68 kan belanghebbende naar mijn mening niet als beroepsgerechtigde worden aangemerkt, aangezien zij niet van rechtswege handelt namens haar ex-partner ter zake van zijn verzamelinkomen. [79]
BNB2020/12 niet dat de regels voor de rechtstoegang ex art. 26a AWR zijn opengebroken. De rechtsbescherming met betrekking tot de bepaling van de draagkracht van een belanghebbende en diens c.q. haar partner welke wordt bepaald door hun beider toetsingsinkomen (zie art. 7, lid 1, Awir), is in handen gelegd van telkens de rechtstreeks belanghebbende bij de respectieve inkomensgegevens. Er is dus naar het mij voorkomt niet een leemte in de rechtsbescherming, aangezien het hier gaat om inkomensafhankelijke regelingen waarbij de partners een gezamenlijk belang hebben. Daarom vind ik in dit arrest geen grond om belanghebbende bevoegd te achten in bezwaar en beroep betreffende het inkomensgegeven van haar ex-partner.
BNB2010/335.
BNB2015/10 meen ik echter dat de termijn voor bezwaar (art. 22j AWR) of verzoek om ambtshalve vermindering (art. 9.6 Wet IB 2001 jo. art. 45aa Uitv.reg. IB 2001) afhangt van de dagtekening van de achterliggende aanslag. Eventueel zou dienaangaande onderzoek na verwijzing moeten geschieden.
BNB2018/168 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet vervalt ingeval van overlijden van de aangifteplichtige, nu het bewijsprobleem waarmee de inspecteur zich geconfronteerd zag door het nalaten van de aangifteplichtige de vereiste aangifte te doen, ook na het overlijden bleef bestaan. De Hoge Raad heeft overwogen: [95]