In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag inzake de intrekking van zijn Nederlanderschap. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van deze overwegingen heeft de Hoge Raad, na het horen van de Procureur-Generaal, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking is op 8 juli 2016 door de raadsheren in het openbaar uitgesproken.