Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
14 februari 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor witwassen en bedrieglijke bankbreuk in de periode van 2004 tot en met 2009. Het hof stelde vast dat verdachte geldbedragen, afkomstig uit een bewezenverklaard misdrijf, heeft omgezet door contant geld op te nemen en op de bankrekening van zijn zoon te storten, terwijl hij wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
Verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onjuist had geoordeeld over de herkomst van het geld en de kwalificatie van het handelen als 'omzetten'. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk of onjuist had geoordeeld dat het geld afkomstig was uit bedrieglijke bankbreuk en dat het handelen van verdachte als witwassen kwalificeerde.
Het bewijs bestond uit diverse verhoren van verdachte en zijn zoon, bankgegevens, verklaringen van de curator en bewindvoerder, en proces-verbalen van inbeslagnames. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van verdachte bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor witwassen en bedrieglijke bankbreuk.