ECLI:NL:HR:2017:2457

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2017
Publicatiedatum
22 september 2017
Zaaknummer
16/02980
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a lid 1 Wet LB 1964
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat vergoeding voor niet uitoefenen optierechten als vervreemding geldt

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Inspecteur over een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 november 2003. De discussie betrof onder meer de kwalificatie van een vergoeding voor het niet uitoefenen van optierechten. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch had eerder uitspraak gedaan over dit geschil, waarna belanghebbende cassatieberoep instelde bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. In de overwegingen verwijst de Hoge Raad naar een gelijktijdig arrest (nr. 16/02984) waarin is bevestigd dat een vergoeding voor het niet uitoefenen van optierechten moet worden aangemerkt als een vervreemding in de zin van artikel 10a, lid 1, van de Wet LB 1964. Hierdoor blijft de naheffingsaanslag in stand.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om de proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door een kamer bestaande uit vijf raadsheren onder voorzitterschap van president Feteris en werd op 29 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitspraak

29 september 2017
nr. 16/02980
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X1] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s‑Hertogenboschvan 28 april 2016, nr. 11/00360, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda (nr. AWB 07/5052) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 november 2003 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. I. de Roos, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:263).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 16/02984 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.