Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
BNB1990/209 beperkt worden opgevat.
BNB1996/138 niet toegepast. Volgens belanghebbende volgt uit dit arrest dat de tekst van de wet voorrang heeft boven de bedoeling van de wetgever indien de wetgever zich bewust is geweest van een discrepantie tussen deze bedoeling en de aangenomen wettekst. In de onderhavige zaak is daarvan (volgens haar) sprake.
BNB2001/82. In dit op 1 november 2000 gewezen arrest formuleerde de Hoge Raad een nieuwe rechtsregel. Nu de rechtshandelingen zich in casu in december 1999 hebben voorgedaan, betoogt belanghebbende dat geen rekening mag worden gehouden met dit arrest.
BNB2015/146. Ten slotte meent belanghebbende dat het oordeel van het Hof in strijd is met HR
NJ1954/378 [6] (het IJzerdraadarrest).
BNB2009/177 en HR
BNB2005/337 zou blijken dat bij een vermindering van een boete wegens een overschrijding van de redelijke termijn de rechter in de uitspraak dient aan te geven in welke mate de boete is verlaagd, evenals welke boete passend zou zijn. In de onderhavige zaak heeft het Hof volgens belanghebbende verzuimd zich hierover uit te laten.
4.Fiscale behandeling van aan werknemers toegekende aandeeloptierechten
Artikel 10a Wet LB 1964 (wettekst van 26 juni 1998 tot 28 december 2000) bepaalt:
BNB1960/123 was in geschil wat (voor de toepassing van artikel 19, lid 2, Besluit op de Inkomstenbelasting 1941) onder het begrip ‘vervreemding’ moest worden verstaan. In deze zaak had de belanghebbende tegen inbreng van aanmerkelijkbelangaandelen van een werkmaatschappij in de holding een gelijk aantal aandelen in de holding verkregen. De Hoge Raad oordeelde dat sprake was van een vervreemding: [28]
BNB1990/209 [29] . In dit arrest was in geschil of sprake was van een vervreemding in de zin van artikel 31, lid 6, Wet IB 1964. In deze zaak werd een begunstiging onherroepelijk door expiratie van een kapitaalverzekering. De Hoge Raad oordeelde dat het onherroepelijk worden van begunstiging geen vervreemding is van een stamrecht:
5.Behandeling van de middelen
BNB1960/123 [31] geoordeeld dat onder het begrip ‘vervreemding’ elke rechtshandeling moet worden verstaan “waardoor de eigenaar van aandelen of winstbewijzen van een vennootschap [of zoals in de onderhavige zaak de aandelenoptiegerechtigde; A-G] (…), waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, die aandelen of winst uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan”. De door belanghebbende genoemde arresten HR
BNB1990/209 [32] en HR
BNB1996/238 [33] staan er niet aan in de weg om het arrest uit 1960 te dezen eveneens toe te passen.
elk voordeeldat wordt behaald met feitelijk kortlopende optierechten, in de belastingheffing te betrekken.
BNB1977/284 [37] en HR
BNB1990/119 [38] , beslissend is of gedragingen van de Inspecteur bij belanghebbende (het) vertrouwen hebben kunnen wekken.
BNB1995/311 [51] en 312 behoren voordelen die van een ander dan de werkgever zijn genoten, slechts tot het loon indien zij worden verstrekt in opdracht van en voor rekening van die werkgever. De Hoge Raad oordeelde op 1 november 2001 in HR
BNB2001/82 [52] dat daarvan ook sprake is indien binnen een concern een voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt door een andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in dienstbetrekking is.
BNB2001/82 een nieuwe rechtsregel is geformuleerd, de litigieuze rechtshandelingen in december 1999 hebben plaatsgevonden en aan wijzigende jurisprudentie geen terugwerkende kracht kan worden toegekend. In haar schriftelijk pleidooi merkt belanghebbende daarbij nog op dat zij op het moment van het doen van aangifte met het arrest HR
BNB2001/82 geen rekening kon houden. Belanghebbende betoogt dat op grond van de eind jaren ‘90 heersende leer (voordelen afkomstig van derden zijn slechts aan te merken als van de eigenlijke werkgever ontvangen loon indien de voordelen door de werkgever, of in opdracht en voor rekening van de werkgever worden verstrekt) de betaalde vergoeding niet tot het loon behoort, nu deze vergoeding door en voor rekening van de
aandeelhoudervan de werkgever is verstrekt (in casu door [F] BV).
BNB2001/82 geen sprake was, maar van een nadere uitwerking van de bestaande jurisprudentie, en niet was voorzien in enig rechterlijk overgangsrecht. Overigens kon ook de belanghebbende in de zaak HR
BNB2001/82 niet vooruit zien hoe de Hoge Raad over zijn geval zou oordelen.
artikel 6 Wet Pro LB 1964.
BNB2015/146 [61] en ten vierde dat dit oordeel in strijd is met HR
NJ1954/378 [62] (het IJzerdraadarrest). [63]
BNB2015/146 te onderscheiden) vraag of gedragingen van een werknemer kunnen worden aangemerkt als gedragingen van een belanghebbende zelf. Daarnaast dient voor een succesvolle toerekening van de grove schuld (of zoals in casu het voorwaardelijk opzet) rekening te worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Zoals belanghebbende terecht heeft opgemerkt, heeft het Hof niet (expliciet) geoordeeld dat [I] ter zake van de gedraging opzet of grove schuld had en dit aan belanghebbende kon worden toegerekend. Wel heeft het Hof (in r.o. 4.24) geoordeeld dat de activiteiten van [I] , vanwege zijn dubbele pet (van adviseur van het concern en bestuurder van de Stichting [E] ) geheel aan belanghebbende dienen te worden toegerekend.