Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, inzake mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en mishandeling. Het hof had geoordeeld dat de breuk van de bodem van de oogkas en de blijvend veranderde esthetiek van het oog kwalificeerden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr Pro.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verdachte verworpen. De middelen van cassatie konden niet leiden tot vernietiging van het arrest, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarnaast bevestigde de Hoge Raad de bevoegdheid van het hof om het hoger beroep te behandelen door de militaire kamer op grond van de Wet Militaire Strafrechtspraak. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, en de conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping werd gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.