Conclusie
middelklaagt dat het door het hof bewezenverklaarde ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
1. het proces-verbaal van aangifte, inhoudende, als de verklaring van [slachtoffer] , aangever:
Ik was helemaal de weg kwijt. Ik voelde op dat moment geen pijn, maar ik zag wel dat mijn armen en mijn gezicht onder het bloed zaten. Ik zag dat ik nergens wonden had en dacht dat ik alleen verwond was aan mijn gezicht. Ik dacht dat het wel mee viel en (...) dat ik alleen een bloedneus had gehad.
2. Het proces-verbaal verhoor verdachte, inhoudende, als de verklaring van [verdachte] , verdachte:
V: = Vraag verbalisant
A: = Antwoord verdachte
A: Wij hadden op het strand gezeten in Terneuzen en hadden flink wat biertjes gedronken. (...) Wij dronken ongeveer 15 biertjes per persoon. Vroeg in de avond waren wij vanaf het strand naar de stad van Terneuzen toe gegaan. In de stad hadden wij biertjes gedronken en gezellig gehad. (...) Rond ongeveer middennacht (...) liepen wij naar huis. Bij het Huizingaplein liepen wij door een tunneltje. Daar zagen wij mensen die een feestje hadden. Wij hoorden muziek en er werd op straat gedronken. Wij hadden zin in een jointje en wij gingen aan de mensen daar om een lange vloei vragen. (...) Een jongen uit de groep kwam mijn kant op en daar kreeg ik ruzie mee. (...) Ik ben toen in het Engels tegen hem gaan praten. (...) en sloeg hem toen met mijn rechtervuist tegen zijn linker kaak. (...) Hij was in een keer 'knock out'. (...) [slachtoffer] en ik renden vervolgens weg. (...) richting de Korte Dijkstraat.
Conclusie: botbreuken van de neus en de oogkas.
4. Een bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een door [betrokkene 2] , KNO-arts ondertekende medische verklaring [6] d.d. 12 juni 2017, gericht aan de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] , inhoudende:
Betreft: [slachtoffer] Geb. [geboortedatum] -1982 [plaats] .
NJ2020/200, m.nt. Wolswijk is de Hoge Raad zaaksoverstijgend nader ingegaan op het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’. De Hoge Raad overweegt in dit arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
NJ2000/510.) De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (vgl. HR 15 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5618).
beslissingniets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie” (cursivering EH). Wat is de betekenis van “beslissing” in dit verband? Wordt daarmee bedoeld dat het toetsingskader in cassatie niet is toegespitst op alleen de bewijsvoering (met een nadruk op de bewijsmiddelen), maar eventueel ook op hetgeen de strafmotivering over de algemene gezichtspunten inhoudt? Hoe deze vragen moeten worden beantwoord, zou mogelijk ook in de onderhavige zaak van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het middel, de slotsom en de beslissing. Het hof heeft in de strafmotivering immers nog iets gezegd over de gevolgen van het handelen van de verdachte voor het slachtoffer en dat zou wellicht in cassatie implicaties kunnen hebben voor de beantwoording van de vraag of het oordeel van het hof over de aanwezigheid van zwaar lichamelijk letsel, zonder nadere motivering begrijpelijk is. Ik doel natuurlijk op de passage waarin het hof refereert aan de brief van de advocaat van het slachtoffer van 15 maart 2019. Ik begrijp de desbetreffende overweging van het hof aldus, dat volgens deze brief het slachtoffer ook nu nog de gevolgen van het handelen van verdachte ondervindt, zoals een minder gevoel rondom zijn oogkas en littekens die zichtbaar zijn (waarbij wordt vermeld dat het slachtoffer vooralsnog geen operatie laat uitvoeren omdat men meent dat verbeteringen zouden kunnen optreden). Opgemerkt kan worden dat deze brief van 15 maart 2019 door de advocaat van het slachtoffer is geschreven in het verband van de vordering tot schadevergoeding en dat in de strafmotivering in het midden wordt gelaten of [slachtoffer] nog pijn heeft en ook niet wordt geëxpliciteerd waar de genoemde littekens zitten, hoe groot de littekens zijn en of ze als (blijvend) ontsierend kunnen worden beschouwd.
NJ2020/200, m.nt. Wolswijk dit beeld overzichtelijk geactualiseerd tot en met 2018. Ik zal de illustratieve voorbeelden van Vellinga en Keulen hier niet nog eens herhalen en meen wat dat betreft te mogen volstaan met verwijzing naar hun conclusies. Wel is het, denk ik, nuttig om de analyse van Keulen (met overneming van zijn, door mij vernummerde, voetnoten) nog eens voor het voetlicht te brengen:
NJ2020/200, m.nt. Wolswijk betoogd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen omtrent de aard van het letsel niet meer blijkt dan dat het om botbreuken gaat en verder “niets blijkt met betrekking tot een operatie, van blijvend letsel of van een lange herstelperiode”, in welk geval “een bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel al gauw niet toereikend met redenen is omkleed”.
de aard van het letselbetreft, is blijkens de bewijsvoering van het hof sprake van een gehechte wenkbrauw, botbreuken in het neusbeen, een lichte scheefstand van de neus en een botbreuk in de oogkas bij [slachtoffer] . Littekens worden niet genoemd, daarover zijn door het hof in de bewijsvoering geen vaststellingen gedaan.
Medisch ingrijpen(operatief of anderszins) werd kennelijk niet noodzakelijk geacht. [slachtoffer] wilde geen hersteloperatie en koos voor een expectatief traject. Daaruit kan, lijkt mij, – wat het
uitzicht op (volledig) herstelaangaat – worden afgeleid dat een expectatief traject een reële mogelijkheid tot herstel vormde en dat vanuit dat medisch perspectief de prognose niet ongunstig was. Er was mitsdien nog uitzicht op spontaan herstel. [28] In ieder geval houden de bewijsmiddelen niets naders in omtrent de eventuele noodzaak tot en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel; nadere vaststellingen daaromtrent ontbreken.