Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
eigen woning - 62.439
- 5.551
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
3 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die samen met anderen een bezwaarschrift indiende tegen een aanslag inkomstenbelasting 2007, waarin werd gesteld dat de belastingplichtige geen looninkomsten had genoten. Het hof had geoordeeld dat het bezwaarschrift bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen en veroordeelde de verdachte voor medeplegen valsheid in geschrift.
De Hoge Raad oordeelt dat een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag, dat strekt tot vermindering van de aanslag, in het maatschappelijk verkeer niet de betekenis heeft van een bewijsstuk in de zin van art. 225 Sr Pro. Hierdoor kan het bezwaarschrift niet als valsheid in geschrift worden aangemerkt. De bewezenverklaring van het hof wordt vernietigd en de verdachte wordt vrijgesproken.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad het begrip fiscaal pleitbaar standpunt, waarbij een belastingplichtige redelijkerwijs een onjuiste aangifte kan doen zonder opzet of grove schuld indien het standpunt pleitbaar is. Dit verweer behoeft in deze zaak geen behandeling omdat de vrijspraak volgt uit de bewijsbestemming van het bezwaarschrift.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 3 oktober 2017.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen valsheid in geschrift wegens ontbreken bewijsbestemming bezwaarschrift.