ECLI:NL:GHSHE:2020:421
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting 2014
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het opzettelijk niet doen van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2014 binnen de gestelde termijn. Het hof heeft het hoger beroep behandeld waarbij is vastgesteld dat de verdachte weliswaar niet tijdig aangifte heeft gedaan, maar dat het strafbare feit pas kan worden vastgesteld na het verstrijken van de door de inspecteur gestelde aanmaningstermijn van 11 november 2015.
De tenlastelegging betrof de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015, maar het hof oordeelt dat een strafrechtelijk verwijt pas kan worden gemaakt na afloop van deze termijn. De verdachte werd herinnerd en aangemaand conform artikel 9 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), maar omdat de aangifte mogelijk nog binnen de aanmaningstermijn kon worden ingediend, kan het delict niet eerder als voltooid worden beschouwd.
Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Dit oordeel sluit aan bij eerdere jurisprudentie en het fiscale bestuursrecht, waarin het belang van herinnering en aanmaning wordt benadrukt voordat sprake kan zijn van een strafbaar feit wegens het niet doen van aangifte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het strafbare feit pas na de aanmaningstermijn kan worden vastgesteld.