Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor doodslag. Het cassatieberoep richtte zich op drie hoofdklachten: de onbruikbaarheid van bloedsporen als bewijs tegen verdachte, het ontbreken van een verband tussen door verdachte gebruikte internetzoektermen en het ten laste gelegde feit, en de mogelijkheid dat een onbekende derde de inbraak en het delict had gepleegd.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten falen en dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof kan leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2016 en verwierp het beroep van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de vice-president van Schendel, en raadsheren Buruma en van Strien op 10 oktober 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.