Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
petitum) uitsluitend spreekt over het “verstrekken” van het onderzoeksmateriaal aan de door de verdachte aangewezen deskundige. In de gedingstukken is ook wel sprake van ‘ter beschikking stellen’ van het onderzoeksmateriaal of van het ‘verlenen van toegang tot’ het onderzoeksmateriaal. De Staat merkt in de cassatiedupliek onder 4 – terecht – op dat het niet in de rede ligt, dat verdachten kunnen beschikken over bijvoorbeeld het vuurwapen waarmee een moord is gepleegd, aangetroffen drugs of, zoals in dit geval, in beslag genomen lichaamsmateriaal van een slachtoffer en daaraan vrijelijk onderzoek zouden kunnen verrichten. In deze conclusie ga ik ervan uit dat, naar de kern genomen, steeds hetzelfde is bedoeld, namelijk dat het O.M. op een nader te bepalen plaats, tijdstip en wijze alsnog zijn medewerking verleent aan een nader onderzoek in eigen beheer van het onderzoeksmateriaal door dr. Van de Goot, zijnde de door de verdachte aangewezen deskundige.
onverplichtmedewerking te verlenen aan een onderzoek in eigen beheer van de verdachte. De laatstgenoemde overweging is kennelijk door de verdachte beschouwd als een aanknopingspunt om buiten de strafrechtelijke procedure de vordering voor te leggen aan de burgerlijke rechter.
in eigen beheerwil laten uitvoeren. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De weigering was in het kader van de strafrechtelijke procedure al beoordeeld door de strafrechter: zoals gezegd, heeft de strafrechter het desbetreffende verzoek van de verdediging niet ingewilligd.
fair trial,
equality of armsen effectieve toegang tot de rechter, zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro [13] . Deze beginselen verplichten het O.M. onder meer tot het aan de verdediging ter beschikking stellen van alle voor de verdediging relevante informatie waarover het O.M. beschikt, van welk uitgangspunt volgens de klacht slechts onder strikte voorwaarden kan worden afgeweken [14] .
fair trialen
equality of arms [18] . De actuele stand van de rechtsontwikkeling in Nederland op dit gebied is ook te kennen uit een op 5 december 2017 gepubliceerd ambtelijk voorontwerp voor een memorie van toelichting bij de Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (berechting) [19] .
nemo tenetur-beginsel is een verdachte immers niet gehouden medewerking te verlenen aan zijn eigen veroordeling [20] . Het aangevoerde argument legt geen gewicht in de schaal wanneer het, zoals in deze zaak, gaat om een verdachte die de beschikking wil krijgen over bewijsmateriaal dat zich onder beheer van het O.M. bevindt en dat
onafhankelijk van zijn wilis vergaard door de instanties die met opsporing en vervolging zijn belast. Voor een tegenonderzoek van dat bewijsmateriaal is de verdachte aangewezen op de mogelijkheden die in het Wetboek van Strafvordering worden geboden (te weten in art. 150 e.v. Sv, met inachtneming van de vereisten die het EVRM daaraan stelt).
disclosure: het verschaffen van volledige informatie door de overheidsinstantie die de vervolging instelt [21] . Zij hebben geen betrekking op het ter beschikking stellen van fysiek bewijsmateriaal voor een onderzoek in eigen beheer door de verdediging. In deze civiele zaak is niet geklaagd dat in beslag genomen voorwerpen of onderzoeksresultaten voor de verdediging verborgen zouden zijn gehouden. Voor zover in het middelonderdeel is bedoeld dat de overwegingen van het EHRM kunnen worden doorgetrokken naar de situatie waarin een verdachte een tegenonderzoek in eigen beheer wil laten uitvoeren en daartoe verstrekking van het onderzoeksmateriaal verlangt, gaat de klacht mijns inziens niet op. De bij het EVRM en het IVBPR aangesloten staten behouden immers de bevoegdheid om te bepalen in welke procedure over tegenonderzoek van bewijsmateriaal wordt beslist; in dit geval is dat de procedure zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.
equality of arms.
nietin de procesinleiding in cassatie – wordt voor het eerst een beroep gedaan op (artikel 7 van Pro de) Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (Pb EU 2012, L 142/1). Gelet op het bepaalde in art. 419 lid 1 Rv Pro, zal de cassatierechter hieraan niet toekomen. Overigens zou dit argument de verdachte niet hebben gebaat: in de redenering van het hof heeft de verdachte toegang tot dit bewijsmateriaal kunnen verkrijgen via de procedures die daarvoor in het Wetboek van Strafvordering zijn gegeven.