Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter tot een gevangenisstraf van vijf weken wegens poging tot diefstal met braak. De mededeling van de einduitspraak werd op het GBA-adres van de verdachte aan een ander uitgereikt. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het hoger beroep niet binnen veertien dagen na die mededeling was ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de uitreiking aan een ander op het GBA-adres een omstandigheid is die maakt dat de einduitspraak de verdachte bekend is in de zin van art. 408, tweede lid, Sv. Dit artikel vereist dat de verdachte de einduitspraak daadwerkelijk bekend is, niet slechts dat de mededeling aan een ander op het adres is uitgereikt.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing. Hiermee wordt de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep ongedaan gemaakt.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor nieuwe berechting wegens onjuiste toepassing art. 408 Sv.