ECLI:NL:HR:2017:2600

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
12 oktober 2017
Zaaknummer
17/00694
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in cassatie over redelijke termijn en immateriële schadevergoeding bij belastingnavorderingen

De erfgenamen van een belastingplichtige hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat hun hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1990-2004 en 1991-2000 had afgewezen, inclusief hun verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad constateert dat het hof ten onrechte de datum van het arrest van 28 september 2012 als maatstaf voor de redelijke termijn heeft genomen, terwijl de juiste datum het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010 is. Hierdoor is de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn onjuist geweest.

Het eerste middel en overige onderdelen van het tweede middel slagen niet, zodat het beroep in cassatie deels gegrond wordt verklaard. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de termijnoverschrijding en de immateriële schadevergoeding.

De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieproces en moet het betaalde griffierecht aan belanghebbenden vergoeden. De kosten van eerdere procedures worden door het verwijzingshof beoordeeld.

Dit arrest bevestigt het belang van correcte toepassing van de redelijke termijn en de procedure bij belastinggeschillen en schadevergoedingen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het hofarrest vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft, en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

13 oktober 2017
nr. 17/00694
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te
[Z], (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 3 januari 2017, nrs. 14/00713 tot en met 14/00737, op de hoger beroepen van belanghebbenden tegen uitspraken van de Rechtbank Noord‑Holland (nrs. HAA 13/2996 tot en met 13/3010, HAA 13/3011, 13/3013 tot en met 13/3020 en 13/3023) betreffende aan [A] (hierna: erflaatster) opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 2004 en in de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Het geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Erflaatster is geïdentificeerd als houdster van bankrekeningen bij Kredietbank Luxembourg. De inkomsten uit en de saldi van die rekeningen heeft zij niet vermeld in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB).
2.1.2.
Aan erflaatster dan wel belanghebbenden zijn in verband daarmee (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 2004 en VB over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt. Het eerste bezwaarschift is door de Inspecteur ontvangen op 30 januari 2003. Erflaatster en belanghebbenden hebben ingestemd met aanhouding van alle bezwaren “totdat op de procedures die [J] zal voeren onherroepelijk is beslist”.
2.1.3.
De Inspecteur heeft met dagtekening 20 juni 2013 uitspraken gedaan op alle bezwaren. Belanghebbenden hebben daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Noord‑Holland. De Rechtbank heeft op 26 augustus 2014 uitspraak gedaan en daarbij onder meer het verzoek om een immateriële‑schadevergoeding afgewezen.
2.1.4.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof heeft – net als de Rechtbank – geoordeeld dat voor de vraag of de redelijke termijn is overschreden, de periode tussen 30 januari 2003 en 28 september 2012 (de datum van het wijzen van het arrest van de Hoge Raad met nummer 11/05099, ECLI:NL:HR:2012:BX8552, BNB 2012/298) buiten aanmerking blijft.
2.2.1.
Tegen het hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordeel richt zich het beroepschrift in cassatie met twee middelen.
2.2.2.
Onderdeel C van het tweede middel betoogt dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van de datum 28 september 2012, omdat het eindarrest in de [J-zaken] is gewezen op 26 februari 2010.
2.3.1.
Het middel slaagt in zoverre. De in de hiervoor in 2.1.2 weergegeven overeenkomst vermelde onherroepelijke beslissing is het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199. Het Hof is dus van een onjuiste datum uitgegaan. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van het geschil is overschreden.
2.3.2.
Het eerste middel en het tweede middel voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbenden voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof doch uitsluitend voor zover deze de schadevergoeding betreft,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbenden vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.