ECLI:NL:HR:2017:2609

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
12 oktober 2017
Zaaknummer
17/00800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:31 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 januari 2017, waarin hoger beroep was behandeld tegen uitspraken van de Rechtbank Breda over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1995, 1996 en 2002, alsmede boetebeschikkingen en heffingsrente.

De Hoge Raad ontving klachten van belanghebbende, maar oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Ook werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 13 oktober 2017, gewezen door raadsheren Fierstra, Groeneveld en Wortel.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

13 oktober 2017
nr. 17/00800
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 12 januari 2017, nrs. 10/00626, 10/00633, 10/00634 en 10/00635, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank te Breda (nrs. AWB 08/4812, AWB 08/4813 en AWB 08/4814) betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1995 en 2002 en in de vermogensbelasting over het jaar 1996, alsmede de daarbij gegeven boetebeschikkingen dan wel beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.