Uitspraak
wonende op Aruba,
wonende op Aruba,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
13 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft de erkenning van een minderjarige in Aruba door de biologische vader, waarbij het geschil ging over de geslachtsnaam die het kind na erkenning zou dragen. De moeder verzette zich tegen de erkenning vanwege het huidige Arubaanse namenrecht (art. 1:5 lid 1 BWA Pro) dat het kind standaard de achternaam van de vader geeft, wat volgens haar discriminerend is.
Het hof had het verzoek van de vader toegewezen en het discriminatoire artikel buiten toepassing gelaten, waardoor het kind de achternaam van de moeder mocht behouden. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof niet zomaar dit artikel buiten toepassing kon laten omdat daarmee een nieuwe ongelijke behandeling zou ontstaan.
De Hoge Raad wijst op het bestaan van een nog niet ingevoerde Landsverordening die het namenrecht wijzigt en een regeling bevat voor geschillen over naamskeuze (art. 1:5b en 1:5g BWA). De rechter moet aansluiten bij deze regeling om het rechtstekort te repareren.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor beoordeling van de geslachtsnaam in het belang van het kind, waarbij de rechter een afweging moet maken conform de nieuwe wettelijke bepalingen. De uitspraak bevestigt het verbod op discriminatie op grond van geslacht en benadrukt de rechtsvormende taak van de rechter binnen de grenzen van de wetgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor beoordeling van de geslachtsnaam in het belang van het kind volgens nieuwe wettelijke bepalingen.