Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Inleiding
ex anteen
in abstracto) vloeit echter wel een zekere door de rechter te betrachten terughoudendheid (
judicial restraint) voort, ook al gaat het bij de constitutionele toetsing
in concretoen
ex postdoor de rechter ingevolge art. I.22 Staatsregeling om de praktische implementatie en toepassing van de formele wet in een individueel geval en kan deze toetsing niet leiden tot ongeldigverklaring van de formele wet maar enkel tot het buiten toepassing laten in dat individuele geval. De rechter heeft in het bijzonder terughoudendheid te betrachten waar het gaat om open en multi-interpretabele normen. De mate van terughoudendheid kan variëren, afhankelijk van de omstandigheden en de aard en onderwerp van het geschil. Met het uitgangspunt van gepaste rechterlijke terughoudendheid bij het toetsen van mede door de Staten vastgestelde landsverordeningen – die daardoor een rechtstreekse democratische legitimatie hebben – is verwant het beginsel van het vermoeden van grondwettigheid (
presumption of constitutionality). Dat een landsverordening niet verenigbaar is met de Staatsregeling zal derhalve duidelijk moeten zijn aangetoond, wil de rechter tot de conclusie kunnen komen dat sprake is van onverenigbaarheid. (rov. 2.36)
separate but equal’). (rov. 2.52 en 2.53)
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
12 juli 2024.