Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
(...)"
4.Beslissing
17 oktober 2017.t
Hoge Raad
Op 9 januari 2015 werd bij verdachte in de rechtbank Zutphen een mes aangetroffen dat de vorm had van een creditcard, waarbij het lemmet geheel binnen de afmetingen van het pasje viel en qua kleur identiek was aan het pasje. Dit mes werd door het hof aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, vallend onder categorie I, lid 4 van de Wet wapens en munitie (WWM).
Verdachte stelde in hoger beroep dat het mes een vouwmes was en niet voldeed aan de criteria van een verboden wapen, omdat het mes direct zichtbaar was en niet leek op een ander voorwerp. Het hof verwierp dit verweer op basis van bewijsmiddelen waaronder verklaringen van beveiligers, verbalisanten en foto’s van het mes.
De Hoge Raad overwoog dat de wetsgeschiedenis van de WWM niet beperkt tot een limitatieve opsomming van verboden opvouwbare messen en dat een opvouwbaar mes dat niet aan de criteria van art. 2, lid 1, onder 1 en 2 WWM voldoet, toch als een blank wapen onder lid 4 kan worden aangemerkt. Het oordeel van het hof dat het creditcardmes een verboden wapen is, was niet onbegrijpelijk of onjuist.
Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de bewezenverklaring en de kwalificatie van het mes als verboden wapen in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het creditcardmes wordt als verboden blank wapen gekwalificeerd.